Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
.
3.De voorvragen
kunnenvoordoen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verjaringstermijn ten aanzien van de onderhavige feiten – gelet op de strafbaarstelling ten aanzien van beide feiten een termijn van zes jaren [1] – op 2 augustus 2018 is aangevangen. Het recht op strafvervolging van de ten laste gelegde feiten is dan ook niet verjaard. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is daarom geen sprake.
4.De bewijsoverwegingen
verkorte weergave)
het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument”.De hiervoor onder 4.1 weergegeven interpretatie van de Raad van State vindt, mede gelet op het in artikel 1 Sr Pro neergelegde strafrechtelijke legaliteitsbeginsel, niet zonder meer toepassing in het strafrecht. Het ten laste gelegde handelen kan dan ook niet worden bewezen verklaard.
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
“of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is”, sinds 1 juli 2016 strafbaar gesteld op grond van artikel 11 lid 1 van Pro de Monumentenwet 1988.