Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
op hem af kwam stormen en hem wilde slaan [4] respectievelijk dat hij [slachtoffer]
op zich af zag stormen en een black-out kreegen misschien uit angst het mes heeft gepakt. [5] Ter terechtzitting van 15 juli 2021 komt de verklaring van verdachte er voor het eerst op neer dat hij daadwerkelijk werd geslagen op zijn keel en tegen zijn hoofd en dat daardoor het licht bij hem uitging. De rechtbank merkt op dat deze laatste lezing geen steun vindt in verklaringen van aanwezige getuigen, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank ook moeilijk te rijmen valt met het steken door verdachte. De incongruenties in deze verklaringen van verdachte, in combinatie met het gestelde volledige geheugenverlies met betrekking tot het moment waarop hij kort daarna [slachtoffer] heeft gestoken, komen de betrouwbaarheid van zijn verklaringen bovendien niet ten goede.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
€ 401,20,-daarom geheel toewijzen.
€ 5.000,-.
€ 5.401,20,te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.
NJ2002/240
NJ2002/240, HR 9 oktober 2009ECLI:NL:HR:2009:BI8583,
NJ2010/387
NJ2010/387 en HR 11 maart 2014, NJ 2014, 183). De rechtbank beschikt in dit geval niet over stukken op basis waarvan het bestaan van een psychiatrisch ziektebeeld kan worden vastgesteld. Nader onderzoek hiernaar zou aanhouding van de strafzaak met zich brengen, hetgeen zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
€ 5.401,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2021)
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 5.401,20, (zegge: vijfduizend vierhonderdéén euro en twintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;