De rechtbank Overijssel behandelde een vordering van de officier van justitie tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die was veroordeeld voor verduistering van goederen uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij een zorginstelling.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €38.094,- als wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op de aangifte van de voormalige werkgever. De verdediging verzocht primair afwijzing van de vordering en subsidiair een lager bedrag, omdat een deel al was terugbetaald.
De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €38.094,- bedroeg, maar hield rekening met de eerder opgelegde schadevergoedingsmaatregel van €63.757,90 ten behoeve van de benadeelde partij. Hierdoor werd het netto wederrechtelijk verkregen voordeel nihil.
Daarom legde de rechtbank geen betalingsverplichting aan de Staat op. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2021.