ECLI:NL:RBOVE:2021:4335
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewetuitkering wegens verwijtbare benadelingshandeling bij vaststellingsovereenkomst
Eiseres was sinds 2006 in dienst bij een vennootschap en raakte arbeidsongeschikt door een val in januari 2018. Zij tekende op 15 november 2018 een vaststellingsovereenkomst waarbij haar arbeidsovereenkomst per 1 maart 2019 werd ontbonden, waarna zij een Ziektewetuitkering ontving.
Het UWV stelde dat eiseres onnodig een beroep op de Ziektewet had gedaan omdat zij met het ondertekenen van de overeenkomst haar loonaanspraak had prijsgegeven, en legde een maatregel op waardoor zij geen recht had op uitkering voor de periode van 29 februari 2019 tot 14 januari 2020. Eiseres voerde aan dat zij verminderd verwijtbaar was vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, nalatigheid van de bedrijfsarts en onbekendheid met haar aandoening (PCS).
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst niet of verminderd kon worden verweten. Zij was op de hoogte of behoorde op de hoogte te zijn van haar gezondheidstoestand en had de mogelijkheid om juridisch advies te vragen en de overeenkomst binnen twee weken te ontbinden, maar zag daarvan af. De benadelingshandeling is terecht vastgesteld en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en zij heeft geen recht op Ziektewetuitkering voor de periode 29 februari 2019 tot en met 14 januari 2020.