ECLI:NL:RBOVE:2021:605

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2021
Publicatiedatum
11 februari 2021
Zaaknummer
08/760218-17
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken wederrechtelijk verkregen voordeel

De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de veroordeelde verplicht tot betaling van €45.243,54 aan de Staat. De vordering werd behandeld tijdens een openbare terechtzitting waarbij de veroordeelde werd gehoord en bijgestaan door haar advocaat.

De veroordeelde was reeds veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet. In deze procedure werd aangenomen dat het strafbare feit door haar was begaan.

De rechtbank oordeelde echter dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen uit de baten van het strafbare feit. Op basis van de bewijsmiddelen en de ter terechtzitting verhandelde feiten wees de rechtbank de ontnemingsvordering af.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 10 februari 2021, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis ondertekenden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering van ruim 45.000 euro af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/760218-17
Datum vonnis: 10 februari 2021
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 45.243,54.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 27 januari 2021.
De veroordeelde, bijgestaan door haar raadsvrouw J. Klomp, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Hoekstra heeft gevorderd dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, aangezien uit het dossier niet is gebleken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:
1 subsidiair
het misdrijf: medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er, op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, niet voldoende aanwijzingen dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het hiervoor bedoelde feit waarvoor zij is veroordeeld. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen.

4.De beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2021.
Buiten staat
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.