Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
4.De beslissing
mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2021.
Rechtbank Overijssel
De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de veroordeelde verplicht tot betaling van €45.243,54 aan de Staat. De vordering werd behandeld tijdens een openbare terechtzitting waarbij de veroordeelde werd gehoord en bijgestaan door haar advocaat.
De veroordeelde was reeds veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet. In deze procedure werd aangenomen dat het strafbare feit door haar was begaan.
De rechtbank oordeelde echter dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen uit de baten van het strafbare feit. Op basis van de bewijsmiddelen en de ter terechtzitting verhandelde feiten wees de rechtbank de ontnemingsvordering af.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 10 februari 2021, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis ondertekenden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering van ruim 45.000 euro af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.