De rechtbank Overijssel behandelde op 27 januari 2021 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onderPro B van de Opiumwet. De officier van justitie vorderde betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van €45.243,54.
Tijdens de zitting stelde de officier van justitie zich op het standpunt dat onvoldoende bewijs aanwezig was dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had genoten. De verdediging ondersteunde dit standpunt en verzocht eveneens om afwijzing van de vordering.
De rechtbank concludeerde dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken, er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld. Daarom wees de rechtbank de ontnemingsvordering af en legde geen betalingsverplichting op aan de veroordeelde.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08/760220-17
Datum vonnis: 10 februari 2021
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] .
1.De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 45.243,54.
2.De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 27 januari 2021.
De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. Geerdink, advocaat in Borne, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Hoekstra heeft gevorderd dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen, aangezien uit het dossier niet is gebleken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er, op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, niet voldoende aanwijzingen, dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het hiervoor bedoelde feit waarvoor hij is veroordeeld. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen.
4.De beslissing
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en mr. V. Wolting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2021.
Buiten staat
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.