Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
[naam],
Rechtbank Overijssel
Eiser ontving een persoonsgebonden budget (pgb) op basis van een indicatie onder de Jeugdwet, die door verweerder ambtshalve werd verlengd tot 22 juli 2020. Het primaire besluit werd op 4 februari 2020 verzonden. Eiser maakte pas op 27 juli 2020 bezwaar, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Namens eiser werd aangevoerd dat de tariefwijziging niet duidelijk was gecommuniceerd en dat de pgb-betalingen per 6 juli 2020 stopten, waardoor pas rond 23 juli duidelijk werd dat het budget was uitgeput. De rechtbank oordeelde echter dat eiser de tarieven in het verlengingsbesluit had kunnen controleren en dat hem dat ook mocht worden verwacht.
De rechtbank vond de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Tevens overwoog de rechtbank dat inhoudelijke behandeling van het bezwaar waarschijnlijk niet tot een andere uitkomst had geleid, omdat de gehanteerde tarieven waren gebaseerd op geldende gemeentelijke verordeningen en besluiten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn.