Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Overijssel
Eiser, een uitzendkracht werkzaam vanaf 22 juni 2020, meldde zich ziek op 16 september 2020. Verweerder stelde het ZW-dagloon vast op €116,11 op basis van de polisadministratie, waarbij loon werd toegerekend aan het aangiftetijdvak waarin het werd uitbetaald. Eiser betwistte de juistheid van het SV-loon in de polisadministratie en stelde dat door wekelijkse loonbetaling en maandelijkse aangifte een weekloon buiten beschouwing bleef, waardoor het dagloon te laag werd vastgesteld.
De rechtbank bevestigde dat de referteperiode correct was vastgesteld en dat verweerder volgens vaste rechtspraak mocht uitgaan van de polisadministratie, tenzij onjuistheid werd aangetoond. De rechtbank vond echter dat het Dagloonbesluit, met name artikel 12d, eerste lid, leidt tot een kennelijk onredelijke en onevenredige uitkomst in deze situatie, omdat het loon over een week in de referteperiode pas in het daaropvolgende aangiftetijdvak werd opgenomen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder met het bestreden besluit de grenzen van redelijke wetstoepassing had overschreden en vernietigde het besluit voor zover het dagloon op €116,11 was vastgesteld. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen dat recht doet aan de daadwerkelijk verdiende inkomsten. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar verweerder moet ook een besluit nemen over dit verzoek. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen dat het dagloon correct vaststelt rekening houdend met de werkelijke loonbetalingen.