Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
[A] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
1.De procedure
2.De feiten
1. Ex werkgever zal uiterlijk binnen 1 maand na de einddatum een definitieve
Rechtbank Overijssel
Eiser trad op 1 oktober 2021 in dienst bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst werd met wederzijds goedvinden beëindigd per 31 januari 2022, waarbij een vaststellingsovereenkomst werd gesloten met afspraken over betaling van achterstallig salaris en eindafwikkeling.
Eiser vorderde in kort geding betaling van achterstallig salaris, onterecht ingehouden pensioenpremie, vakantietoeslag, vakantiedagen, wettelijke rente, wettelijke verhogingen, correcte specificaties en aanmelding bij het UWV. Gedaagde verscheen niet in de procedure.
De kantonrechter oordeelde dat de vorderingen gegrond zijn en veroordeelde gedaagde tot betaling van de gevorderde bedragen binnen korte termijnen, inclusief dwangsommen voor niet-nakoming van de verplichtingen tot afgifte van specificaties en aanmelding bij het UWV. De proceskosten werden toegewezen volgens het liquidatietarief omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris, vakantietoeslag, pensioenpremie, wettelijke verhogingen, en correcte eindafwikkeling inclusief aanmelding bij het UWV.