Eiser werd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat beboet omdat hij op 16 oktober 2020 een bestuurderskaart gebruikte die niet op zijn naam stond, wat een overtreding is van artikel 2.4:4, eerste lid, onder e, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atbv). De rechtbank stelt vast dat deze overtreding aan eiser kan worden toegerekend, ondanks dat eiser zijn eigen kaart bij zich had en de opdracht kreeg om direct te vertrekken vanwege uitval van een andere chauffeur.
De rechtbank oordeelt dat de verbalisant tijdens het verhoor de cautieplicht heeft geschonden, waardoor de verklaring van eiser niet als bewijs kan dienen. Desondanks is uit het boeterapport voldoende gebleken dat eiser de overtreding heeft begaan. Het beroep op overmacht faalt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opdracht kreeg om een andere kaart te gebruiken.
Verder wordt geoordeeld dat er geen sprake is van tegenstrijdige besluiten, aangezien de werkgever niet kan worden verweten dezelfde overtreding te hebben begaan. De hoogte van de boete is proportioneel en in overeenstemming met de beleidsregel boeteoplegging. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor de boete met 5% wordt gematigd.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 30 december 2021 en herroept het besluit van 11 augustus 2021 voor zover de boete €1.500 bedraagt. De boete wordt vastgesteld op €1.425. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.