Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft genoemde [bedrijf 1] BV (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn of de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonheffing over genoemd(e) aangifteperiode(s) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
3.De voorvragen
enhetzij het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. De zogenoemde una via-regeling zou kunnen worden gezien als een rechtsgebied overstijgende ne bis in idem-regeling. Aan ‘dezelfde gedraging’ in artikel 5:44, eerste lid, Awb komt dezelfde betekenis toe als aan ‘hetzelfde feit’ in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het ne bis in idem-beginsel kan in bepaalde gevallen bescherming bieden tegen strafrechtelijke vervolging na oplegging van een bestuursrechtelijke sanctie. De enkele omstandigheid dat een bestuurlijk en strafrechtelijk traject samenlopen is hiervoor onvoldoende.
hetzelfde feiteneen tweede vervolging van dezelfde persoon.
4.De bewijsoverwegingen
ten aanzien van het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegdegegrond op een aantal stappen.
genoten. Bij de loon over-systematiek wordt het in een bepaald tijdvak uitbetaalde loon toegerekend aan de verstreken loontijdvakken waarop het loon betrekking heeft. In afwijking van het bovenstaande mag de inhoudingsplichtige het loon overeenkomstig een door hem gevolgde bestendige gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak toerekenen dan het tijdvak waarin het loon wordt genoten (loon over-systematiek). In dat geval wordt het loon geacht te zijn genoten in dat eerdere tijdvak. Daarnaast mag de inhoudingsplichtige de in de maand januari van het nieuwe jaar gedane inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot het voorgaande jaar toekomt, opnemen in de laatste aangifte over het oude jaar. Voorwaarde is wel dat sprake is van een bestendig gevolgde gedragslijn door de inhoudingsplichtige. Hoewel het loon de jaargrens overgaat, wordt de inhouding volgens de tarieven van het ‘oude jaar’ berekend. Het loon wordt in deze situatie geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking als deze in de loop van het kalenderjaar is geëindigd.
werknemeren werkgever (uitzendbureaus [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 2] B.V.). De werknemers zijn immers op aanwijzen van het uitzendbureau arbeid bij een derde (de inlener) gaan verrichten en in het dossier bevinden zich verklaringen van deze inleners (onder andere [naam 1] , bedrijfsleider bij [bedrijf 7] B.V. en [naam 2] , directeur van [bedrijf 8] B.V.), dat zij meerdere uitzendkrachten van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. dagelijks aan het werk hebben, dat deze uitzendkrachten de urenregistraties bijhouden en dat voor deze uitzendkrachten door [bedrijf 1] B.V. dan wel [bedrijf 2] B.V, gefactureerd wordt alsmede dat de uitzendkrachten niet door de inlener, maar door verdachte worden betaald. Dat er geen bewijs van dienstbetrekkingen in het procesdossier aanwezig is, de rechtbank vermoedt dat de verdediging hierbij doelt op het ontbreken van schriftelijke arbeidsovereenkomsten, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de conclusie dat er (feitelijk) sprake is van een arbeidsverhouding dan ook niet af. Daarbij merkt de rechtbank bovendien op dat de verdediging geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aannemelijk kunnen maken dat van een arbeidsverhouding geen sprake is.
vaste inrichtingin Nederland en zijn [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.
inhoudingsplichtig.
enige wat ze mij kunnen verwijten is dat ik factureerde uit [bedrijf 1] en dat hij
“die naheffing [bedrijf 2] heb ik het inmiddels geregeld/aangepast.” en dat hij “een nihilaangifte wil indienen want tot op heden heeft [bedrijf 10] geen belastingverplichtingen in nederland.” [betrokkene] moet bij de belastingtelefoon vragen om een nieuw wachtwoord en
“mogelijk kunnen hun al een nihilaangifte invullen dan krijg ik niet meer van die bezopen aanslagen….” [19]
Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hiernavolgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest [20] :
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;