Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en/of de hartstreek te steken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 1997 tot en met 21 maart 1997 te Groningen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en/of de hartstreek te steken, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van
enig strafbaar feit, te weten diefstal ex artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht en/of poging tot diefstal ex artikel 310 juncto Pro 45 Wetboek van Strafrecht, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 1997 tot en met 21 maart 1997 te Groningen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en/of de hartstreek te steken.
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
Uit onderzoek bleek dat zij in de nacht van donderdag 20 op vrijdag 21 maart 1997 om het leven was gebracht. Zij was in- /onder de linkerborst gestoken.
Het slachtoffer lag op haar rug in de deuropening van de woonkamer. De voordeur van de woning was gesloten en zat op het nachtslot. De achterdeur was dicht, maar zat niet op slot. De slaapkamer van het slachtoffer was gelegen aan de voorzijde van de woning. Daar stond een bolschemerlamp aan en de plafonnière brandde. Boven de wastafel, die in de slaapkamer hing, brandde ook de verlichting, evenals in het toilet. [1] In de woning werden geen sporen van geweld of een worsteling aangetroffen. [2]
U vraagt mij naar [slachtoffer] . Afgelopen donderdag, 20 maart 1997, ben ik in haar woning aan het werk geweest, tot 16.00 uur. Zij was niet thuis.” [3]
De laatste keer dat ik [slachtoffer] gezien heb was donderdag 20 maart 1997. Zij arriveerde om 19.45 uur bij mijn praktijk. Om 20.30 uur die dag verliet zij mijn praktijk.” [4]
U vraagt mij naar eventuele bijzonderheden op donderdag 20 maart 1997. Ik ging die donderdag omstreeks 23.45 uur naar bed. De slaapkamer van mij grenst aan de slaapkamer van de vrouw waarover u spreekt. Op een tijdstip gelegen tussen 00.00 en 01.30 uur werd ik plotseling wakker. Ik hoorde herrie uit de woning naast mij, zijnde perceel [adres 1] . Mijn eerste indruk was dat het een feestje was, maar ik hoorde geen muziek en dat kon het dus niet zijn. Later hoorde ik twee personen op een agressieve manier tegen elkaar spreken. Ik hoorde een mannen- en vrouwenstem. Buiten het geschreeuw/geroep had ik het gevoel dat er twee mensen achter elkaar aanliepen. Ik hoorde een bonkerig geluid. Ik schat dat het geschreeuw/geroep en het achter elkaar aanlopen in totaal ongeveer 2 minuten heeft geduurd. Tevens hoorde ik tot slot een "bonk", alsof er iets zwaars op de grond viel. Nadien heb ik niets meer gehoord. Het was abrupt afgelopen.” [6]
Verder kan ik u over de nacht van donderdag op vrijdag 20/21 maart 1997 vertellen dat ik mij omstreeks 23.00 in mijn woonkamer bevond. Vervolgens ben ik in de achterkamer achter de naaimachine gaan zitten en heb daar tot ongeveer 01.30 uur genaaid. Tussen 00.30 en 01.00 uur hoorde ik gebons op een vloer. Ik hoorde tevens een man en vrouw luid tegen elkaar spreken. Ik kon niet verstaan wat zij tegen elkaar zeiden. Het waren korte losse kreten. Het gebons duurde twee korte periodes van ongeveer totaal 3 a 5 minuten. Tevens hoorde ik nog een kreet van: "Au, au" of iets degelijks. Nadien heb ik geen enkel geluid meer gehoord.” [7]
Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:
Op de nagels van de rechter- en de linkerhand [SVO 15, SVO 16] van het slachtoffer [slachtoffer]
Op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek bestaat het bloed op de
De holle zijdes van de nageldelen zijn afzonderlijk bemonsterd en deze bemonsteringen zijn als ACV878#02 tot en met #05 veilig gesteld voor DNA-onderzoek.
het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met dit DNA-(meng)profiel;
het een bemonstering van het lichaam van het slachtoffer betreft. Bemonsteringen van het lichaam bevatten doorgaans DNA van de bemonsterde persoon zelf.
- bemonstering ACV878#05 bevat DNA van twee personen;
- slachtoffer [slachtoffer] is zelf één van de twee donoren van het DNA in deze bemonstering;
- de onbekende man in dit mengsel (zie Hypothese 2) is niet verwant aan slachtoffer [slachtoffer] en/of aan [verdachte] .
Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van verdachte [verdachte] in de bemonstering nagels van de rechterhand ACV878#05C is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Indirecte overdracht van DNA via een voorwerp.
Hypothese 2: iemand anders dan verdachte heeft het slachtoffer gestoken, waarbij het slachtoffer zich heeft verweerd.
- Onder hypothesen 1 en 2 (set 1): Bij het geweldsincident heeft het slachtoffer zich met
Als het slachtoffer zich met haar handen heeft verweerd, dan heeft ze haar belager (zijnde
Op grond van het bovenstaande kom ik tot de volgende conclusie ten aanzien van
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
doodslag;
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) jaren;