Uitspraak
1.Het hoger beroep
2.Onderzoek van de zaak
3.Het vonnis waarvan beroep
4.De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 1997 tot en met 21 maart 1997, te [pleegplaats] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en/of de hartstreek te steken, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal ex artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht en/of poging tot diefstal ex artikel 310 juncto Pro 45 Wetboek van Strafrecht, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 1997 tot en met 21 maart 1997, te [pleegplaats] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en/of de hartstreek te steken.
5.Vrijspraak van het primair en het subsidiair tenlastegelegde
6.Bewijsoverwegingen met betrekking tot het meer subsidiair tenlastegelegde
chain of custodyen
chain of evidence. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat contaminatie van sporenmateriaal heeft plaatsgevonden, zodat de resultaten van de DNA-onderzoeken als onvoldoende betrouwbaar moeten worden uitgesloten van het bewijs.
7.Bewezenverklaring
of omstreeksde periode van 20 maart 1997 tot en met 21 maart 1997, te [pleegplaats] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en
/ofde hartstreek te steken.
8.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
9.Strafbaarheid van de verdachte
10.Oplegging van straf en/of maatregel
11.Vorderingen van de benadeelde partijen
- [benadeelde 2] vordert een bedrag van € 228,- voor de kosten van reizen naar de politie in [pleegplaats] op 15 maart 1997 en 4 april 1997, en een bedrag van € 285,- voor reiskosten ten behoeve van overleggen met slachtofferhulp, de advocaat en de officier van justitie, alsmede voor het bijwonen van een zitting in de periode van 2 maart 2021 tot en met 20 september 2021, wat neerkomt op een totaalbedrag van € 513,-.
- [benadeelde 3] vordert in een totaalbedrag van € 1.251,- voor reiskosten ten behoeve van overleggen met slachtofferhulp, de advocaat en de officier van justitie alsmede voor het bijwonen van zittingen in de periode van 11 maart 2021 tot en met 9 maart 2022.
- [benadeelde 1] vordert een totaalbedrag van € 1.178,40 voor reiskosten ten behoeve van overleggen met de advocaat en de officier van justitie alsmede voor het bijwonen van zittingen in de periode van 11 maart 2021 tot en met 9 maart 2022.
- [benadeelde 4] vordert een totaalbedrag van € 823,20 voor reiskosten ten behoeve van overleggen met de officier van justitie alsmede voor het bijwonen van zittingen in de periode van 11 mei 2021 tot en met 9 maart 2022.
“Deze kosten moeten worden aangemerkt als proceskosten in de zin van artikel 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Mede gelet op de omstandigheid dat voor het procederen bij gemachtigd advocaat geen proceskosten worden gevorderd noch toegekend, zal de rechtbank de daadwerkelijke reiskosten van de nabestaanden toewijzen en niet het liquidatietarief hanteren ter begroting van de proceskosten.”
12.Toepasselijke wettelijke voorschriften
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) jaren.
€ 285,00 (tweehonderdvijfentachtig euro).
€ 513,00 (vijfhonderddertien euro) aan materiële schade.
€ 1.251,00 (duizend tweehonderdeenenvijftig euro).
€ 1.178,40.