ECLI:NL:RBOVE:2023:2027
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot beëindiging huurovereenkomst wegens onvoldoende dringend eigen gebruik
In deze zaak stond centraal of de huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde beëindigd kon worden op grond van dringend eigen gebruik door eiseres. Eiseres had de woning gekocht en wilde deze gebruiken voor haar moeder, die vanwege haar leeftijd en mobiliteitsproblemen niet langer op een woonboot kon wonen.
Eiseres stelde dat het dringend eigen gebruik noodzakelijk was omdat zij mantelzorg aan haar moeder wilde verlenen. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het belang van eiseres onvoldoende was aangetoond. De kantonrechter oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de woning zo dringend nodig had dat verlenging van de huurovereenkomst niet van haar kon worden gevergd.
De verklaring van de moeder van eiseres over haar situatie werd niet ondersteund door medische verklaringen. Bovendien ging het belang vooral uit naar de moeder, niet naar eiseres zelf. Ook de mantelzorg werd niet concreet bewezen. Daarom kon niet worden vastgesteld dat sprake was van dringend eigen gebruik zoals bedoeld in artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro.
De vorderingen van eiseres werden afgewezen en de huurovereenkomst bleef van kracht. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik wordt afgewezen.