1.4Omdat het toegekende pgb niet toereikend was om de gewenste zorg te kunnen inkopen, heeft [betrokkene] op 23 september 2021 namens eiseres bij verweerster een aanvraag voor meerzorg ingediend. Op 1 oktober 2021 heeft [betrokkene] deze aanvraag compleet gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder ‘Inleiding’.
2. In het primaire besluit heeft verweerster geconcludeerd dat bij eiseres sprake is van extreme zorgzwaarte. Volgens verweerster heeft eiseres meer dan 25% meer zorg nodig dan passend is op grond van het aan haar toegekende zorgprofiel en kan zij daarom aanspraak maken op de regeling voor meerzorg. Op basis hiervan en van de aanvraag van 23 september 2021 heeft verweerster in het primaire besluit aan eiseres een nieuw pgb, inclusief meerzorg, toegekend voor de periode van 23 september 2021 tot en met 22 september 2023. Dit pgb is toegekend voor:
- 30 uur zorg per week die wordt verleend door [betrokkene] ;
- 42,5 uur zorg per week die wordt verleend door overige zorgverleners overdag;
- 18 uur zorg die ’s nachts wordt verleend;
- 40 etmalen per jaar logeren;
- 2 uur huishoudelijke hulp per week.
Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb heeft verweerster drie periodes onderscheiden. Dat zijn de periodes van 23 september 2021 tot en met 30 juni 2022 (de eerste periode), van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 (de tweede periode) en van 1 januari 2023 tot en met 22 september 2023 (de derde periode). Voor deze opeenvolgende periodes heeft verweerster steeds een lager pgb vastgesteld. Deze verlaging is het gevolg van de gefaseerde afbouw van het uurtarief van de door [betrokkene] verleende zorg, die verweerster in het primaire besluit heeft opgenomen. Voor de eerste periode heeft verweerster voor de door [betrokkene] verleende zorg nog het oude uurtarief van € 29,- vastgesteld. Voor de tweede periode is dit uurtarief bijgesteld naar € 25,34 en voor de derde periode naar € 21,68.
In het bestreden besluit heeft verweerster het primaire besluit ongewijzigd in stand gelaten en daarbij onder meer vermeld dat het meerzorgbudget is toegekend op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit langdurige zorg (Blz) en de artikelen 2.2 en 5.1e van de Regeling langdurige zorg (Rlz).
De standpunten van partijen
3. Eiseres is het niet eens met de (gefaseerde) afbouw van het uurtarief voor de door [betrokkene] verleende zorg. Volgens haar heeft zij op grond van artikel 5.22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz nog steeds recht op een uurtarief van € 29,- voor de door [betrokkene] verleende zorg, omdat zij vóór 1 januari 2014 een pgb voor zorg op grond van de AWBZ ontving en na de transitie van de AWBZ naar de Wlz ook onafgebroken een pgb voor zorg is blijven ontvangen. Dat [betrokkene] ondoelmatige zorg zou leveren blijkt volgens eiseres nergens uit. Zij wil daarom dat voor de gehele periode van 23 september 2021 tot en met 22 september 2023 aan haar een pgb wordt toegekend op basis van een tarief voor de door [betrokkene] geleverde zorg van € 29,- per uur.
4. Verweerster heeft in het bestreden besluit, het verweerschrift van 30 maart 2023 en ter zitting op 25 april 2023 het volgende standpunt ingenomen over de gefaseerde afbouw van het uurtarief voor de door [betrokkene] verleende zorg.
Uit het in artikel 5.22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz opgenomen overgangsrecht volgt dat het professionele uurtarief mag worden gehanteerd door de zogenoemde budgethouders met oude rechten. Uit de Nota van toelichting bij de inwerkingtreding van het Blzvolgt dat het de bedoeling van de wetgever is dat op termijn voor alle budgethouders zowel de professionele als de niet-professionele tarieven gelden en dat ‘oude rechten’ moeten worden uitgefaseerd. Dit is tot op heden echter nog niet aangepast in de Rlz. Op grond van dat artikel 5.22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz staat het eiseres daarom vrij om voor de door [betrokkene] geleverde zorg een hoger uurtarief te hanteren dan het nu geldende informele tarief. Van eiseres kan niet worden verlangd dat zij de zorgovereenkomst met haar moeder aanpast.
Echter, dit geldt volgens verweerster alleen voor het reguliere pgb dat in het verleden aan eiseres is toegekend. Artikel 5.22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz is niet meer van toepassing op een aanvraag voor meerzorg. Bij een aanvraag voor meerzorg is sprake van een ander of aanvullend regime ten opzichte van het reguliere pgb, waarvoor het
toetsingskader van artikel 3.3.3 van de Wlz geldt. Wanneer meerzorg wordt aangevraagd moet een nieuwe, aanvullende en verdergaande integrale afweging worden gemaakt van de redelijkheid en noodzakelijkheid van de extra kosten. Dat volgt uit de toelichting op artikel 5.1e van de Rlz, waarin staat dat via de ‘meerzorgroute’ de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor per situatie een integrale afweging zal maken van de redelijkheid van de noodzakelijke kosten om de Wlz-zorg thuis verantwoord te organiseren.Gelet op de tekst van de toelichting op artikel 5.1e van de Rlz geldt deze aanvullende beoordeling voor het gehele pgb. In de toelichting wordt namelijk niet gesproken over de noodzakelijke kosten van de meerzorg, maar over de noodzakelijke kosten om de Wlz-zorg te organiseren. In het primaire besluit zijn alle door eiseres aangevraagde uren toegekend en voor het berekenen van het budget dat daar tegenover dient te staan is het redelijk dat verweerster kijkt naar een doelmatig uurtarief. Dit betekent dat verweerster bij de berekening van het meerzorgbudget op basis van de goedgekeurde uren er rekening mee mag houden dat een deel van die uren wordt verleend door een informele (dat wil zeggen: niet-professionele) zorgverlener en de tarieven daarop mag afstemmen. Dit is in overeenstemming met eerdergenoemde bedoeling van de wetgever dat op termijn voor alle budgethouders zowel de professionele als niet-professionele tarieven gelden en dat de oude rechten worden uitgefaseerd.
Een tarief van € 29,- per uur voor het verlenen van informele zorg is niet doelmatig. Daarom moet dat tarief worden afgebouwd naar het maximale tarief dat voor 2022 geldt voor informele zorgverleners, zijnde € 21,68 per uur. In het pgb zoals dat nu is toegekend heeft verweerster deze afbouw gefaseerd doorgevoerd, om eiseres de gelegenheid te geven zich op de wijziging van het uurtarief voor te bereiden. Met het toegekende aantal uren,
in combinatie met de daarvoor gehanteerde tarieven, kan doelmatige en kwalitatief verantwoorde zorg voor eiseres worden ingekocht. De hoogte van het totale pgb is daarom toereikend.
Beoordeling van het beroep