Partij A, een bouwbedrijf, verrichtte verbouwingswerkzaamheden in de woning van Partij B. Er ontstond een geschil over de betaling van meerwerk en de prijsverhoging daarvan. Partij B betwistte de overeengekomen aanneemsom en stelde dat Partij A niet had voldaan aan de informatieplicht volgens afdeling 6.5.2 BW, waardoor de overeenkomst vernietigbaar zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de laatste offerte van 15 februari 2021 de geldige overeenkomst vormde, met een aanneemsom van € 105.576,14, waaruit stelposten voor keuken en badkamer werden afgetrokken. Partij B had reeds € 84.466,59 betaald en moest nog € 4.169,55 voldoen. Met betrekking tot het meerwerk stelde de rechtbank vast dat Partij A niet had voldaan aan haar informatieplicht over de prijsopbouw, waardoor de overeenkomst voor het meerwerk vernietigd werd en Partij B het meerwerk niet hoefde te betalen.
Verder werd het conservatoir derdenbeslag op de bankrekeningen van Partij B opgeheven, maar het beslag op de woning bleef gehandhaafd. De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van beslagkosten af, omdat het beslag niet onnodig was. De buitengerechtelijke incassokosten werden deels toegewezen en de proceskosten werden verdeeld: Partij A werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie, terwijl in reconventie de proceskosten werden gecompenseerd.
De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en legde een dwangsom op aan Partij A voor het niet tijdig opheffen van het beslag.