Partijen sloten een financial leaseovereenkomst voor een balenpers. Na betalingsachterstand ontbond CNH de overeenkomst en eiste alle openstaande en toekomstige termijnen, verminderd met de verkoopwaarde van de balenpers. De kantonrechter oordeelde dat CNH de waarde van de balenpers te laag had vastgesteld en dat betalingen van gedaagden onjuist waren toegerekend. Tevens waren de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en faillissementskosten te hoog en deels niet toewijsbaar.
De kantonrechter stelde de waarde van de balenpers ex aequo et bono vast op € 32.500,00, hoger dan de verkoopprijs van € 20.000,00. Betalingen die CNH niet volledig had toegerekend, werden alsnog in mindering gebracht. De gevorderde incassokosten werden gematigd tot het forfaitaire bedrag van € 1.444,85. Kosten voor faillissementsaanvragen werden niet toegewezen omdat deze niet noodzakelijk waren en voortijdig waren ingetrokken.
De vordering van CNH werd uiteindelijk afgewezen omdat na verrekening van betalingen, waarde balenpers en kosten geen restantvordering overbleef. CNH werd veroordeeld in de proceskosten van € 1.058,00. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter F. Koster op 3 oktober 2023.