Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
4.Beslissing
10 juli 2015.
Hoge Raad
In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad vragen over de rechtspositie van buitengerechtelijke incassokosten in zakelijke (B2B) relaties. De zaak betreft een geschil tussen een leverancier van bouwmaterialen en een afnemer die facturen niet volledig betaalde, waarbij discussie ontstond over de toerekening en redelijkheid van incassokosten.
De Hoge Raad bevestigt dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip 'kosten' in art. 6:44 lid 1 BW Pro, waardoor betalingen eerst op deze kosten in mindering strekken. Daarnaast wordt de bevoegdheid van de rechter om in B2B-relaties bedongen incassokosten ambtshalve te matigen tot een redelijke vergoeding volgens art. 242 Rv Pro bevestigd, zonder dat dit in strijd is met Europese richtlijnen.
De normering van incassokosten kan plaatsvinden aan de hand van de forfaitaire staffel uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (BIK), maar de rechter heeft beoordelingsvrijheid om hiervan af te wijken indien hogere werkelijke kosten aannemelijk worden gemaakt. Gebruikelijke incassopercentages in de branche of door de schuldenaar gehanteerde percentages kunnen meewegen, maar vormen geen bindend uitgangspunt. Ook afspraken tussen schuldeiser en rechtsbijstandverlener over incassokosten kunnen relevant zijn voor de beoordeling van redelijkheid.
De Hoge Raad legt hiermee een belangrijke juridische maatstaf vast voor de behandeling van buitengerechtelijke incassokosten in zakelijke relaties, waarbij de balans wordt gezocht tussen bescherming van schuldeisers en redelijkheid jegens schuldenaren.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat buitengerechtelijke incassokosten onder het begrip 'kosten' van art. 6:44 BW vallen en dat de rechter in B2B-relaties bedongen incassokosten ambtshalve kan matigen tot een redelijke vergoeding.