Eiser en gedaagde hadden een affectieve relatie en woonden samen met hun drie minderjarige kinderen in een gehuurde woning. Na het beëindigen van de relatie verzocht eiser gedaagde de woning te verlaten, wat gedaagde weigerde. Eiser vorderde daarop in kort geding ontruiming van de woning.
Tijdens de procedure wijzigde eiser haar eis en stelde een ontruimingstermijn van uiterlijk 30 november 2023, mede omdat de huur per 1 december 2023 moest worden opgeleverd aan de verhuurder. Gedaagde erkende dat hij zonder recht of titel in de woning verbleef en dat hij de woning moest verlaten, maar gaf aan moeite te hebben met het vinden van een andere woonruimte.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang en dat gedaagde geen recht had om in de woning te verblijven. De vordering tot ontruiming werd toegewezen met een dwangsom van €500 per dag, gemaximeerd op €10.000. De gevraagde machtiging voor ontruiming met inzet van de sterke arm werd afgewezen omdat dit volgens de wet niet nodig is. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.