Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief van 23 november 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Overijssel
Na de faillietverklaring van de heer [naam] op 4 april 2018 opende hij een bankrekening bij de Duitse bank Sparkasse. Ondanks het faillissement nam hij geld op en verrichtte overschrijvingen vanaf deze rekening, waartegen de curator zich keerde. Sparkasse stelde dat zij niet op de hoogte was van het faillissement omdat dit alleen in het Nederlandse insolventieregister was ingeschreven en niet in Duitsland.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing is, aangezien het faillissement in Nederland is uitgesproken. Volgens het fixatiebeginsel behoort het gehele vermogen van de failliet, ook tijdens het faillissement verworven, tot de boedel en is de failliet niet bevoegd betalingen te verrichten. De curator kan daarom betaling vorderen van de bank.
Sparkasse voerde aan dat de curator het faillissement had moeten inschrijven in Duitsland en dat zij onredelijk zou worden belast. Dit verweer werd verworpen, omdat de curator niet verplicht was het faillissement in Duitsland in te schrijven en Sparkasse bekend was met de Nederlandse nationaliteit en het insolventieregister kon raadplegen.
Verder werd het beroep van Sparkasse op artikel 31 IVO Pro afgewezen voor betalingen aan derden, maar erkend voor geldopnames door de failliet zelf, waarvoor geen vergoeding wordt toegewezen. De curator kreeg een vergoeding van €71.729,25 toegewezen, inclusief incassokosten en wettelijke rente, en Sparkasse werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Sparkasse wordt veroordeeld tot betaling van €71.729,25 aan de curator, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.