Partijen sloten op 19 februari 2020 een overeenkomst waarbij partij A een deel van zijn eenmanszaak overdroeg aan partij B, die tevens de huurrechten overnam. Partij B betaalde slechts een deel van de overeengekomen waarborgsom terug aan partij A. Partij A vorderde betaling van het restantbedrag van € 6.806,25, inclusief rente en kosten.
Partij B stelde in reconventie dat partij A tijdens zijn dienstverband gelden en goederen had onttrokken ter waarde van bijna € 29.500,00, en vorderde dit bedrag minus het reeds betaalde restant. Partij A betwistte dit en verwees naar finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst. Tevens vorderde partij A een immateriële schadevergoeding wegens aantasting van zijn goede naam.
De kantonrechter oordeelde dat partij B het restant van de waarborgsom aan partij A moet betalen met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2020. De vorderingen van partij B wegens onttrekking werden afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en betwisting door partij A. De gevorderde immateriële schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat onvoldoende concreet was onderbouwd dat de goede naam was geschaad.
Partij B werd veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten, zowel in conventie als in reconventie. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.