Eiser kreeg op 1 april 2021 een jachtakte verleend, maar deze werd op 30 maart 2022 door de korpschef ingetrokken vanwege overtredingen, waaronder het afgeven van een wapen aan een particulier in Duitsland zonder toestemming en het niet naleven van opbergvoorschriften. De minister verklaarde het administratief beroep van eiser tegen deze intrekking ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 19 december 2023 en oordeelde dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat sprake was van vrees voor misbruik van wapens en/of munitie.
De rechtbank benadrukte dat intrekking van een jachtakte geen strafrechtelijke sanctie is, maar een maatregel ter bescherming van de samenleving, waarbij geringe twijfel voldoende is. Eiser had eerder waarschuwingen ontvangen over het niet naleven van opbergvoorschriften en had een strafbeschikking ontvangen voor een milieumisdrijf. De rechtbank vond dat een waarschuwing niet volstond gezien de herhaalde overtredingen en het feit dat eiser als ervaren jager bekend moest zijn met de regels.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, de intrekking van de jachtakte blijft van kracht en eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken.