ECLI:NL:RBOVE:2024:4097

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
24-017668
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 lid 6 SvArt. 258 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen afwijzing getuigenverzoek na dagvaarding

Verdachte, bijgestaan door raadsman, heeft na kennisgeving van de officier van justitie over het voornemen tot dagvaarding verzoeken ingediend bij de rechter-commissaris om getuigen te horen. De rechter-commissaris wees deze verzoeken af. Tegen deze afwijzing diende de verdediging een bezwaarschrift in bij de meervoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel.

De raadkamer behandelde het bezwaarschrift in een niet-openbare zitting waarbij ook de officier van justitie en verdachte met tolk aanwezig waren. De verdediging stelde dat het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond moest worden verklaard, terwijl de officier van justitie het bezwaarschrift ongegrond achtte en verwees naar de aanwezige bewijsmiddelen die voldoende zouden zijn voor de latere beoordeling.

De rechtbank oordeelde dat vanaf het moment van kennisgeving van het voornemen tot dagvaarding (in ieder geval 26 april 2024) de rechter-commissaris geen nieuwe verzoeken meer kon behandelen die niet betrekking hadden op lopende onderzoekshandelingen. Verzoeken zoals het horen van getuigen moesten vanaf dat moment aan de zittingsrechter worden gericht. Omdat het bezwaarschrift betrekking had op een verzoek dat na kennisgeving van dagvaarding was gedaan, was het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.

De raadkamer verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk en wees het af. De beschikking is gegeven op 31 juli 2024 door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer : 08-031623-24
raadkamernummer : 24-017668
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
domicilie kiezende aan de [adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: klaagster,
bijgestaan door mr. J.W. Stegeman, advocaat te Almelo.

1.Het verloop van de procedure

Klaagster is verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Op 18 april 2024 heeft de raadsman zich namens haar gesteld. Op 26 april heeft de officier van justitie kennisgegeven van het voornemen klaagster te dagvaarden voor de meervoudige zitting van 2 september 2024. Bij verzoek van 31 mei 2024 heeft de raadsman aan de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten: het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
Bij beslissing van 27 juni 2024 heeft de rechter-commissaris het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen. De raadsman heeft tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend.
Het bezwaarschrift, gedateerd 10 juli 2024, is op diezelfde dag op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het bezwaarschrift is behandeld tijdens de niet-openbare zitting van de meervoudige raadkamer van 24 juli 2024. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. M. Weimar, de verdachte (met behulp van een tolk in de taal Russisch) en de raadsman gehoord.
De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier in de strafzaak tegen verdachte. De raadkamer heeft ook kennisgenomen van het bezwaarschrift met bijlagen en de beschikking van de rechter-commissaris op het verzoek op grond van artikel 182 Sv Pro.

2.De standpunten van de verdediging en de officier van justitie

Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ontvankelijk is en gegrond moet worden verklaard en dat het verzoek tot het horen van de getuigen moet worden toegewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging het bezwaarschrift op te vatten als een verzoek aan de voorzitter van de rechtbank Overijssel als bedoeld in artikel 258, tweede lid Sv.
De verdediging heeft ter zitting het woord gevoerd overeenkomstig de aan deze beschikking gehechte pleitnota.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard, overeenkomstig het door de zaaksofficier ingenomen standpunt in de mail van 3 juli 2024. Aanvullend heeft de officier van justitie gesteld dat de bewijsmiddelen die zich op dit moment in het dossier bevinden en in het kader van de Keskin-jurisprudentie gezien kunnen worden als compenserende factoren, voldoende zijn voor de later oordelende rechtbank om tot een oordeel te kunnen komen.

3.De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen.

4.De ontvankelijkheid

De raadkamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klaagster ontvankelijk is in haar bezwaarschrift.
De raadkamer stelt vast dat op 7 maart 2024 en op 26 april 2024 een kennisgeving van de officier van justitie met diens voornemen tot dagvaarding over te gaan, is verzonden aan klaagster respectievelijk de raadsman. De raadsman heeft op 31 mei 2024 verzoeken ingediend bij de rechter-commissaris die strekken tot het horen van de voornoemde getuigen.
Vanaf het moment van kennisgeving dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, in ieder geval op 26 april 2024, is de rechter-commissaris enkel nog bevoegd de lopende onderzoekshandelingen voort te zetten en af te ronden. Nieuwe vorderingen of verzoeken op grond van artikel 182 Sv Pro kunnen op dat moment niet meer worden gedaan aan de rechter-commissaris maar moeten worden gericht aan de zittingsrechter.
Nu de verzoeken geen betrekking hebben op lopende onderzoekshandelingen en deze verzoeken zijn gedaan na kennisgeving van de officier van justitie om over te gaan tot dagvaarding, stond voor klaagster ook geen mogelijkheid tot bezwaar meer open tegen de afwijzing van die verzoeken. Het bezwaarschrift is om die reden niet-ontvankelijk (Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505).

5.5. De beslissing

De raadkamer verklaart het bezwaarschrift
niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven op 31 juli 2024 door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter,
mr. E. Venekatte en mr. I. Piksen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier.