Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten van de verdediging en de officier van justitie
3.De bevoegdheid van de rechtbank
4.De ontvankelijkheid
5.5. De beslissing
niet-ontvankelijk.
Rechtbank Overijssel
Verdachte, bijgestaan door raadsman, heeft na kennisgeving van de officier van justitie over het voornemen tot dagvaarding verzoeken ingediend bij de rechter-commissaris om getuigen te horen. De rechter-commissaris wees deze verzoeken af. Tegen deze afwijzing diende de verdediging een bezwaarschrift in bij de meervoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel.
De raadkamer behandelde het bezwaarschrift in een niet-openbare zitting waarbij ook de officier van justitie en verdachte met tolk aanwezig waren. De verdediging stelde dat het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond moest worden verklaard, terwijl de officier van justitie het bezwaarschrift ongegrond achtte en verwees naar de aanwezige bewijsmiddelen die voldoende zouden zijn voor de latere beoordeling.
De rechtbank oordeelde dat vanaf het moment van kennisgeving van het voornemen tot dagvaarding (in ieder geval 26 april 2024) de rechter-commissaris geen nieuwe verzoeken meer kon behandelen die niet betrekking hadden op lopende onderzoekshandelingen. Verzoeken zoals het horen van getuigen moesten vanaf dat moment aan de zittingsrechter worden gericht. Omdat het bezwaarschrift betrekking had op een verzoek dat na kennisgeving van dagvaarding was gedaan, was het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
De raadkamer verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk en wees het af. De beschikking is gegeven op 31 juli 2024 door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen is niet-ontvankelijk verklaard.