ECLI:NL:RBOVE:2024:4499

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
08.770256-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen verduistering

De rechtbank Overijssel behandelde een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tegen een veroordeelde die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor medeplegen van verduistering in de periode van oktober 2007 tot juli 2008.

Hoewel het hof een schadevergoeding van vier miljoen euro aan de benadeelde partij toekende en de rechtbank aannam dat de veroordeelde een wederrechtelijk verkregen voordeel van vier miljoen euro had genoten, werd het bedrag van de betalingsverplichting vastgesteld op nul euro. Dit omdat de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van de benadeelde partij in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar in dit geval geen corresponderend voordeel tegenover de schade stond.

De veroordeelde en zijn raadsman waren niet aanwezig bij de zitting, maar hadden hun standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de betalingsverplichting daarom nihil is, en legde dit vast in het vonnis van 20 augustus 2024.

De beslissing is gebaseerd op de wettelijke bepaling in artikel 36e Sr (oud) en het onherroepelijke arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2020. De rechtbank bevestigt hiermee dat de ontnemingsmaatregel niet altijd leidt tot betaling, afhankelijk van de verhouding tussen toegekende schadevergoeding en wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: De rechtbank stelt de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nul euro.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.770256-16
Datum vonnis: 20 augustus 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de [locatie].

1.De schriftelijke vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 4.000.000,--.

2.De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke ontnemingsvordering samenhangende strafdossier. Op de openbare terechtzitting van 7 december 2017 is de behandeling van de vordering uitgesteld in afwachting van een beslissing in hoger beroep op de vordering van de benadeelde partij van € 4.000.000,--.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 6 augustus 2024 de vordering gewijzigd, zoals zij reeds op voorhand schriftelijk had meegedeeld. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 0,--.
Veroordeelde en zijn raadsman, mr. T. Felix, advocaat in Amsterdam, zijn met kennisgeving aan de rechtbank niet op de terechtzitting verschenen en hebben hun standpunt op voorhand schriftelijk kenbaar gemaakt.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 16 december 2020, gewezen onder het parketnummer 21.003157-17, veroordeelde veroordeeld ter zake van in de periode van
17 oktober 2007 tot en met 7 juli 2008 meermalen medeplegen van verduistering.. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen voor een bedrag van € 4.000.000,--.
De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat bewezen is verklaard in dit arrest. Het arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht het op basis van de wettige bewijsmiddelen in het strafdossier, zoals omschreven in genoemd arrest, aannemelijk dat veroordeelde in de bewezen verklaarde periode een bedrag van € 4.000.000,-- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
De rechtbank overweegt vervolgens dat in artikel 36e lid 8 Sr (oud) is bepaald dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering moeten worden gebracht. Bij toepassing daarvan komen slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vorderingen van benadeelde partijen, die strekken tot vergoeding van hun schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat. [1]
De rechtbank zal het bedrag van de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van de benadeelde partij daarom in mindering brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. De rechtbank stelt dit bedrag vast op € 0,--.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De betalingsverplichting wordt gelet op het voorgaande gesteld op een bedrag van € 0,--.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr (oud).

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door veroordeelde
  • stelt de verplichting tot
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.

Voetnoten

1.HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496.