De veroordeelde was veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, waarvan zij 6 uren had verricht. De officier van justitie beval de tenuitvoerlegging van 7 dagen vervangende hechtenis wegens het niet voltooien van de resterende taakstraf. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze omzetting, gesteund door haar advocaat, die wees op persoonlijke omstandigheden en de negatieve gevolgen van detentie.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift ontvankelijk was, ondanks het ontbreken van een handtekening en datum op de omzettingsbeslissing door een officier van justitie. De kantonrechter stelde vast dat deze gebreken de rechtskracht van het besluit aantasten, omdat het niet verifieerbaar is dat een bevoegde functionaris de beslissing heeft genomen binnen de wettelijke termijn.
De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie en overwoog dat de bevoegdheid tot omzetting niet gemandateerd kan worden aan andere ambtenaren dan een officier van justitie. Gezien het ontbreken van essentiële elementen in de beslissing, werd het bezwaarschrift gegrond verklaard op ambtshalve gronden en werd bepaald dat de veroordeelde de resterende 14 uren taakstraf alsnog moet voltooien vóór 1 januari 2025.