ECLI:NL:RBOVE:2024:6927
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na deels vrijspraak
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €400.787,00 van de veroordeelde, die was veroordeeld voor handel in harddrugs in de periode van 1 juni 2015 tot en met 6 juni 2016 en vrijgesproken voor witwassen.
Tijdens de zitting op 12 december 2024 betoogde de verdediging niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de redelijke termijn en onduidelijkheid over het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwierp het termijnverweer op grond van vaste jurisprudentie en overwoog dat overschrijding doorgaans wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag.
De rechtbank stelde vast dat het ontnemingsrapport twee componenten bevatte: een bedrag van €64.085,00 uit transacties vóór de bewezenverklaarde periode en €336.702,00 uit witwassen waarvoor de veroordeelde was vrijgesproken. Omdat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevatte dat voordeel was verkregen uit het bewezenverklaarde feit, wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
Het vonnis werd uitgesproken op 23 december 2024 door de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer strafzaken te Almelo.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor ontneming over het bewezenverklaarde feit.