ECLI:NL:RBOVE:2024:7026

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
NL24.48563 (maatregel van bewaring) NL24.48566 (terugkeerbesluit)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 1:3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring en aanvullend terugkeerbesluit in vreemdelingenrecht

De zaak betreft een beroep van een persoon van Algerijnse nationaliteit tegen twee besluiten van de minister van Asiel en Migratie: een aanvullend terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring. De rechtbank onderzoekt eerst of zij bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. Gezien een eerder besluit uit 2017 dat een terugkeerbesluit bevatte en geen relevante wijzigingen in de verblijfsrechtelijke situatie, oordeelt de rechtbank dat het aanvullende terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen en geen nieuwe rechtsgevolgen heeft. Daarom is de rechtbank onbevoegd ten aanzien van dat beroep.

Ten aanzien van de maatregel van bewaring, opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, overweegt de rechtbank dat de minister voldoende zware gronden heeft aangevoerd, zoals het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, en het niet meewerken aan vaststelling van identiteit. De minister heeft een zware grond laten vallen tijdens de zitting, maar de overige gronden blijven staan. De eiser betwist deze gronden niet. De rechtbank vindt dat de minister terecht heeft gemotiveerd waarom een minder ingrijpende maatregel niet volstaat, mede vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

De eiser voert aan dat hij volledig meewerkt en terug wil naar zijn land van herkomst, maar dit verweer overtuigt de rechtbank niet. Ook is niet gebleken dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.W.M. Bunt en griffier H.B. Slot - Akkerman.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.48563 (maatregel van bewaring)
NL24.48566 (terugkeerbesluit)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. A.D. Kupelian,
en
de Minister van Asiel en Migratie. [1]
gemachtigde: mr. S. Bozkurt.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
Over bestreden besluit 1
2. De rechtbank ziet zich eerst gesteld voor de vraag of het gestelde terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen. Bij besluit van 23 juni 2017 is de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning afgewezen. Dat besluit is een meeromvattende beschikking die ook een terugkeerbesluit bevat. Op grond van wat partijen naar voren hebben gebracht is niet gebleken dat zich vervolgens relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de verblijfsrechtelijke situatie van eiser. Evenmin is gebleken dat hij na de uitreiking van het besluit over de verblijfsvergunning de Europese Unie heeft verlaten, zodat dit besluit nog steeds van kracht is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen en geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept die niet al eerder waren ontstaan. Dat terugkeerbesluit is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit.
Over bestreden besluit 2
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1
Ter zitting heeft de minister de zware grond 3i laten vallen.
4. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. Eiser werkt volledig mee en wil vanaf het begin terug naar zijn land van herkomst.
5.1
De rechtbank volgt eiser niet en overweegt dat de minister in de maatregel van bewaring genoegzaam heeft toegelicht dat en waarom een minder ver strekkende maatregel niet is geïndiceerd en ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft bij deze beoordeling naast de verklaringen en het gedrag van eiser en de niet bestreden gronden, onder meer, terecht betrokken dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken. Het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling is dusdanig groot dat een lichter middel niet opweegt tegen de kans dat eiser op andere gedachten komt en zich weer aan het toezicht onttrekt. Wat door eiser in dit kader is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk ook verklaard niet terug te willen, maar te moeten voor zijn moeder. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [2]
Over de beroepen
7. De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring) ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.ECLI:EU:C:2022:858.