De rechtbank Overijssel behandelde de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen een rechtspersoon die was veroordeeld voor het produceren van meer fosfaat dan toegestaan volgens het fosfaatrechtenstelsel in 2018 en 2019. De officier van justitie vorderde betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €51.091, berekend op basis van forfaitaire excretienormen en leaseprijzen per kilogram fosfaat.
Tijdens de procedure heeft de verdediging betwist dat de forfaitaire normen passend zijn en stelde zij dat de berekening op basis van de daadwerkelijke fosfaatproductie moest plaatsvinden. De rechtbank constateerde dat de veroordeelde in een bijzondere situatie verkeerde door langdurige vergunningstrajecten en veranderende regelgeving, waardoor zij haar bedrijfsvoering moeilijk kon aanpassen. Ook waren er al financiële gevolgen, waaronder conservatoir beslag en aanpassing van financieringsvoorwaarden.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel niet rechtvaardig en zinvol zou zijn. Daarom stelde zij de betalingsverplichting vast op nihil, ondanks het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van €51.091. De rechtbank baseerde zich hierbij op artikel 36e Sr en relevante jurisprudentie over billijkheid en proportionaliteit.