ECLI:NL:RBOVE:2024:962

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 februari 2024
Publicatiedatum
23 februari 2024
Zaaknummer
10694878 \ CV EXPL 23-3482
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting gedaagde voor autoreparatie ondanks verzekeringsgeschil

Gedaagde had zijn auto laten repareren door eiseres, waarbij een medewerker van eiseres had aangegeven dat de verzekeraar de betaling zou verrichten. De verzekeraar weigerde echter te betalen omdat er op het moment van reparatie geen verzekeringsdekking was.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde als eigenaar en opdrachtgever van de reparatie aansprakelijk is voor betaling van de factuur. Het feit dat de verzekeraar niet betaalde vanwege opschorting van de dekking ontslaat gedaagde niet van zijn betalingsverplichting jegens eiseres.

Ook de mededeling van een medewerker van eiseres dat betaling via de verzekeraar zou lopen, en het late ontvangen van een herinnering door gedaagde, leiden niet tot vrijwaring van de betalingsverplichting. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 10694878 \ CV EXPL 23-3482
Vonnis van 20 februari 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen [eiseres],
gemachtigde: J.M.A. van Ras,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres];
- de mondelinge behandeling van 18 januari 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Hoewel [eiseres] een conclusie van antwoord in reconventie heeft mogen nemen, is de kantonrechter bij nader inzien van mening dat er in het verweer van [gedaagde] geen zelfstandige vordering in reconventie besloten ligt. Het verweer van [gedaagde] zal in dit vonnis dan ook niet als tegenvordering worden behandeld.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.Waar gaat deze zaak over?

De vaststaande feiten
2.1.
[gedaagde] had op basis van een financial lease constructie een Landrover in eigendom. Via Land Rover Insurance was deze auto verzekerd bij ANAC.
2.2.
Nadat de voorruit van de auto al eerder was gerepareerd, zat er in maart 2021 opnieuw een barst in de voorruit. [gedaagde] is op 23 maart 2021 met de auto naar [eiseres] gegaan en [eiseres] heeft die dag de voorruit gerepareerd. De medewerker van [eiseres] die met [gedaagde] de opdracht tot reparatie heeft besproken, heeft aangegeven dat [gedaagde] niet zelf ter plekke voor de reparatie hoefde te betalen, omdat betaling van de reparatie via de verzekeraar zou lopen.
2.3.
De verzekeraar heeft niet betaald, omdat er volgens de verzekeraar op het moment van reparatie van de ruitschade geen verzekeringsdekking was.
2.4.
Op 4 januari 2022 heeft [gedaagde] van [eiseres] een rekeningoverzicht ontvangen, met daarop een vermelding van de openstaande factuur. Ondanks meerderde herinneringen heeft [gedaagde] de factuur niet betaald.
Wat wil [eiseres]?
2.5.
[eiseres] wil dat [gedaagde] de factuur van € 1.449,69 betaalt, en daarnaast ook de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
Wat vindt [gedaagde]?
2.6.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de auto verzekerd was ten tijde van de reparatie, dus de verzekeraar moet de reparatie betalen. Ook de medewerker van [eiseres] die hij op de dag van de reparatie sprak, heeft gezegd dat de auto verzekerd was. Daarnaast heeft hij pas op 4 januari 2022 een herinnering ontvangen om de reparatiekosten te betalen.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] moet betalen. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] was destijds de eigenaar van de auto en heeft [eiseres] de opdracht tot reparatie gegeven. Hij is dan ook degene die voor de reparatie moet betalen. Dat [gedaagde] de auto tegen schade heeft verzekerd en dat die verzekeraar wellicht aangesproken kan worden, is een zaak tussen [gedaagde] en zijn verzekeraar en betekent niet dat [eiseres] [gedaagde] dan niet kan aanspreken voor de reparatiekosten.
3.2.
Uit de mailberichten die [gedaagde] heeft overgelegd, komt naar voren dat zijn verzekeringsdekking was opgeschort op het moment van de reparatie van de voorruit. De verzekeraar heeft [gedaagde] laten weten dat tijdens de opschorting, eventuele schade niet zou worden uitgekeerd. Dat de verzekeringsdekking na het – later – betalen van de premies weer hersteld zou zijn, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd en blijkt verder nergens uit. En ook als dat zo zou zijn, ontslaat dat [gedaagde] niet van zijn betalingsverplichting aan [eiseres], hij kan hooguit de verzekering aanspreken om hem de schade te vergoeden.
Dat een medewerker van [eiseres], achteraf bezien ten onrechte, heeft gezegd dat betaling via de verzekeraar zou lopen, betekent ook niet [eiseres] geen aanspraak meer kan maken op betaling door [gedaagde], nadat de verzekeraar uitkering van de schade heeft geweigerd.
3.3.
Ook de omstandigheid dat [gedaagde] pas begin 2022 een eerste herinnering van de factuur heeft ontvangen, maakt niet dat hij de factuur niet hoeft te betalen. Namens [eiseres] is ter zitting toegelicht dat het versturen van een herinnering even kan duren, omdat de factuur eerst naar de verzekeraar gaat en dat deze dan beslist of zij het factuurbedrag uitkeert. Omdat [gedaagde] de verzekeringspremie niet had betaald en de verzekering dan wordt opgeschort, had voor hem duidelijk moeten zijn dat de verzekeraar de ruitschade niet zou uitkeren aan [eiseres], en dat hij deze dus zelf op enig moment rechtstreeks aan [eiseres] zou moeten betalen. De conclusie is dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] moet betalen. De vordering tot betaling van € 1.449,69 zal worden toegewezen.
3.4.
Omdat [gedaagde] te laat is met betalen, moet hij over het bedrag van € 1.449,69 ook de wettelijke rente betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen voor een bedrag van € 90,09 tot 4 september 2023 (de dag van dagvaarding), en verder vanaf 4 september 2023 tot de dag van volledige betaling.
3.5.
[gedaagde] moet ook de buitengerechtelijke incassokosten betalen. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de wettelijke eisen. Aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt het gevorderde bedrag van € 217,45 toegewezen.
3.6.
Omdat [gedaagde] in deze procedure in het ongelijk wordt gesteld, moet hij ook de proceskosten van [eiseres] betalen. Nu de kantonrechter het verweer van [gedaagde] niet als tegenvordering beschouwd, zullen er geen kosten worden berekend voor de conclusie van antwoord in reconventie die [eiseres] heeft genomen. De proceskosten worden tot op heden dan ook begroot op:
Kosten dagvaarding: € 107,84
Griffierecht: € 365,00
Salaris gemachtigde:
€ 398,00(2 punten x tarief € 199,00)
Totaal: € 870,84

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 1.757,23 aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.449,69 vanaf 4 september 2023 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 870,84;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2024. (SB)