ECLI:NL:RBOVE:2025:1134

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
ak_25_357 en ak_25_701
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.T. Kwaasteniet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 6:11 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring te laat ingediend bezwaar inzake WMO-dossier

Mevrouw heeft een verzoek ingediend voor inzage in haar dossier bij het Sociaal Wijkteam van de gemeente Zwolle, op grond van artikel 15 AVG Pro. Het college heeft dit verzoek ingewilligd met een besluit van 1 augustus 2024. Mevrouw maakte bezwaar tegen dit besluit op 25 oktober 2024, maar dit werd door het college niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 20 februari 2025 behandeld. Hoewel het bezwaar drie dagen te laat was ingediend, oordeelde de voorzieningenrechter dat dit niet in die mate aan mevrouw kon worden toegerekend, mede gezien haar individuele positie, het ontbreken van gemachtigde, de beperkte termijnoverschrijding en het geringe belang van het college.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 9 januari 2025 en bepaalde dat het college alsnog een besluit moet nemen op de inhoudelijke bezwaren van mevrouw. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de uitspraak in de hoofdzaak was gedaan. Mevrouw kreeg haar griffierecht vergoed, maar er was geen aanleiding voor verdere proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/357 en 25/701
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college

(gemachtigde: mr. A.J. Stellingwerf).

Inleiding

Het college heeft van mevrouw [eiseres] een verzoek ontvangen waarin zij heeft gevraagd om inzage in haar dossier bij het Sociaal Wijkteam van de gemeente Zwolle. Het college heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om inzage in de verwerking van de persoonsgegevens van mevrouw [eiseres] op grond van artikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG).
Met het besluit van 1 augustus 2024 heeft het college het verzoek ingewilligd en in dat kader het dossier opgevraagd bij het Sociaal Wijkteam en een kopie van de documenten waarin haar persoonsgegevens zijn verwerkt aan mevrouw [eiseres] verstrekt.
Mevrouw [eiseres] heeft tegen dit besluit op 25 oktober 2024 bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar op 9 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar is.
Op 12 januari 2025 heeft mevrouw [eiseres] beroep ingesteld tegen dit besluit. Op 10 februari 2025 heeft zij verzocht om een spoedprocedure. De rechtbank heeft dit opgevat als een verzoek van mevrouw [eiseres] tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mevrouw [eiseres] en de gemachtigde van het college.
Gelet op alle omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van mevrouw [eiseres] daartegen. [1]
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het beroep van mevrouw [eiseres] tegen het besluit van 9 januari 2025 gegrond, vernietigt het besluit van 9 januari 2025 en bepaalt dat het college een besluit dient te nemen op de inhoudelijke bezwaren van mw. [eiseres] . Omdat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak, wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het besluit waarin het verzoek om inzage is ingewilligd is van 1 augustus 2024. Mevrouw [eiseres] heeft daarna aangegeven dat zij de bijlagen die bij het besluit hoorden niet heeft ontvangen. Op 10 september 2024 is het besluit met bijlagen opnieuw aan haar verzonden.
Mevrouw [eiseres] heeft niet binnen zes weken na het besluit van 1 augustus 2024 bezwaar gemaakt. Daarmee is de bezwaartermijn overschreden. De vraag is of deze overschrijding aan mw [eiseres] is toe te rekenen, verschoonbaar is.
In artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een te laat ingediend bezwaar niet niet-ontvankelijk wordt verklaard als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij de beoordeling daarvan is de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters van belang, in het bijzonder de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
In dit geval betekent dit, ook volgens het college, dat mevrouw [eiseres] binnen zes weken na 10 september 2024, dus uiterlijk op 22 oktober 2024, bezwaar had moeten maken.
Zij heeft echter op 25 oktober 2024 bezwaar gemaakt, dus drie dagen te laat.
Volgens het college is dat aan mevrouw [eiseres] toe te rekenen, onder andere omdat zij vaker bezwaar en beroep heeft ingesteld en dus op de hoogte is van het systeem en omdat zij voldoende digitaal vaardig is.
De voorzieningenrechter volgt het college hierin niet.
Mevrouw [eiseres] heeft gesteld dat zij niet eerder bezwaar kon maken en dat zij geen hulp heeft, ondanks dat zij daar wel om heeft gevraagd. Daarnaast heeft zij alle documenten die zij heeft gekregen op haar telefoon moeten lezen, wat haar heel veel tijd heeft gekost en dat zij pas daarna kon zien dat zij niet alles heeft gekregen wat zij wilde hebben.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan mevrouw [eiseres] wel worden verweten dat zij te laat bezwaar heeft gemaakt, maar dat kan gelet op alle omstandigheden redelijkerwijs niet leiden tot de conclusie dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Er is sprake van een aantal omstandigheden die maken dat de overschrijding haar niet in die mate kan worden toegerekend.
Het gaat om een individuele burger, zonder gemachtigde, die al lange tijd met het college een geschil heeft over de toepassing van de WMO en daarom inzage wil hebben in haar dossier. Er zijn verder geen andere partijen of andere belangen betrokken. Daarbij gaat het om een overschrijding van de termijn met slechts drie dagen. Hierbij speelt ook een rol dat het belang aan de zijde van het college beperkt is.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van mevrouw [eiseres] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De voorzieningenrechter vernietigt het besluit van 9 januari 2025 en bepaalt dat het college alsnog een besluit moet nemen op de inhoudelijke bezwaren van mevrouw [eiseres] .
Omdat deze beslissing in de beroepszaak is genomen, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Mevrouw [eiseres] krijgt daarom haar griffierecht terug. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Mevrouw [eiseres] heeft op het formulier proceskostenvergoeding enkel ingevuld dat zij haar griffierecht vergoed wenst te krijgen.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van 10 februari 2025 af;
- bepaalt dat het college tweemaal het griffierecht van € 194,- (in totaal € 388,-) aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025 door mr. mr. A.T. Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. J.C. Smitstra , griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.