Eiser ontving sinds 2015 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid en startte in 2020 een onderneming, die formeel in 2023 stopte. Het UWV herzag en vorderde zijn uitkering terug over 2021 en 2022, gebaseerd op een fictief belastbaar inkomen van € 25.000 per jaar, vastgesteld in een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst.
Eiser voerde aan dat hij in die jaren geen daadwerkelijke inkomsten uit zijn onderneming had en dat het UWV geen rekening had gehouden met de bijzondere omstandigheden, waaronder de administratieve fouten van zijn boekhouder en zijn mantelzorgsituatie. Het UWV stelde dat eiser redelijkerwijs had moeten weten dat hij te veel uitkering ontving.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke inkomsten en geen belangenafweging had gemaakt zoals vereist bij het toepassen van de discretionaire bevoegdheid om af te zien van terugvordering. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit, behalve voor de periode waarin eiser werkte bij een advocatenkantoor, en gaf het UWV zes weken om opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij herziening van uitkeringen.