Eiser diende een verzoek in op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie Noaberkracht Dinkelland Tubbergen. Het bestuur wees het verzoek af en stelde het bezwaar van eiser buiten behandeling wegens onvoldoende precisering van het Woo-verzoek.
De rechtbank beoordeelde of het bestuur het verzoek terecht buiten behandeling had gesteld en of de proceskostenvergoeding in bezwaar juist was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het Woo-verzoek onvoldoende concreet was en dat het bestuur terecht om precisering had gevraagd, ook al was dit verzoek niet binnen de wettelijke termijn gedaan. Omdat eiser niet meewerkte aan de precisering, mocht het bestuur het verzoek buiten behandeling stellen.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het bestuur onjuist een lagere wegingsfactor hanteerde bij de proceskostenvergoeding. De rechtbank bepaalde dat de vergoeding hoger moest zijn en stelde deze zelf vast op €597,00, waar het bestuur reeds een deel van had betaald. Het griffierecht hoefde niet te worden vergoed omdat eiser dit niet had betaald.
De uitspraak werd gedaan door rechter M. Lok en griffier J.P. Fortuin op 15 januari 2025 te Zwolle. Partijen werden in de gelegenheid gesteld hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.