Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser,
[derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2], uit [woonplaats 2] ,
Rechtbank Overijssel
Eiser diende een handhavingsverzoek in tegen een aarden wal die volgens hem niet conform de aanlegvergunning was aangelegd en mogelijk bodemvreemd en vervuild materiaal bevatte. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking had op de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State daarvoor bevoegd is. Voor zover het beroep betrekking had op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) was de rechtbank wel bevoegd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor illegale opslag van bodemvreemd materiaal en dat de grondwal niet in strijd was met de aanlegvergunning, onder meer omdat de vergunning een maximale hoogte van 5 meter toestond maar geen minimale hoogte voorschreef. Ook was handhavend optreden tegen het deel van de wal dat op het grondgebied van de gemeente Borne ligt onevenredig.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het handhavingsverzoek tegen de aarden wal.