Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Het afdoeningsvoorstel
- het onder 3 genoemde beroepsverbod voor de functie van aandeelhouder van een rechtspersoon is komen te vervallen;
- partijen refereren zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de bewezenverklaring van feit 2;
- indien het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van feit 2 of feit 2 niet bewezen wordt verklaard, kunnen partijen zich vinden in een verkorting van de onder 3 genoemde
4.De voorvragen
5.De bewijsmotivering
6.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven gedraging, meermalen gepleegd;
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven gedraging, meermalen gepleegd.
7.De strafbaarheid van verdachte
8.De op te leggen straf of maatregel
werkelijkenadeel lager is, neemt de rechtbank toch dit oriëntatiepunt als uitgangspunt, gelet op het veel hogere
beoogdenadeel, de lange periode waarin verdachte keer op keer het wilsbesluit heeft genomen om te frauderen, het berekenende karakter van zijn handelingen en het feit dat verdachte ook ter zitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven gedraging, meermalen gepleegd;
opzettelijk gebruik maken van een valse geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de bovenomschreven gedraging, meermalen gepleegd;
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden;
12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen: de
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ontzetde verdachte
van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurdervan een rechtspersoon voor de duur van
5 (vijf) jaren;
openbaar gemaaktwordt door registratie in het
handelsregister van de Kamer van Koophandelen begroot de kosten daarvan op nihil.