Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de op 26 mei 2025 door [eisers] overgelegde productie 9
Rechtbank Overijssel
Eisers en gedaagde sloten op 15 februari 2024 een koopovereenkomst voor een woning met een koopsom van €795.000. Gedaagde moest uiterlijk 1 april 2024 een bankgarantie of waarborgsom van €79.500 stellen, maar kwam deze verplichting niet na. Eisers stelden gedaagde formeel in gebreke en ontbonden vervolgens de overeenkomst op 16 augustus 2024, waarbij zij aanspraak maakten op de overeengekomen boete.
Gedaagde voerde aan dat zij de boete niet (volledig) hoefde te betalen vanwege vermeende complicaties en het afhaken van haar financier, maar kon dit niet onderbouwen en het afhaken vond bovendien na de ontbinding plaats. De rechtbank verwierp het verweer en oordeelde dat de boete terecht opeisbaar was. Een verzoek tot matiging van de boete werd afgewezen omdat toepassing van het boetebeding niet tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van de boete van €79.500, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024, en tot betaling van proceskosten. Vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens ontbreken van aanmaning.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de boete van €79.500, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.