De rechtbank Overijssel behandelde een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr tegen een veroordeelde die betrokken was bij het faciliteren van illegaal verblijf door verhuur van kamers aan prostituees. De zaak betrof een bestuurlijke prostitutiecontrole op 6 maart 2023 waarbij twee prostituees werden aangetroffen in een woning waarvan de veroordeelde huurder was.
De officier van justitie vorderde een betalingsverplichting van €7.160, terwijl de verdediging betoogde dat veroordeelde geen draagkracht heeft en het bedrag nihil zou moeten zijn. Ook werd subsidiair een lagere vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €190, gebaseerd op de huurinkomsten minus redelijke energiekosten. De draagkracht van veroordeelde werd niet aannemelijk geacht als reden voor matiging, zodat de betalingsverplichting werd opgelegd.
De beslissing is gebaseerd op bewijs waaronder proces-verbalen van getuigenverklaringen, Whatsapp-berichten en een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank legde de betalingsverplichting op aan de veroordeelde tot betaling van €190 aan de Staat.