ECLI:NL:RBOVE:2025:4748

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
C/08/322160 / HA ZA 24-399
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van een testament en de opeisbaarheid van geldvorderingen in erfrechtelijke geschillen

In deze zaak, die zich afspeelt in het erfrecht, betreft het geschil de nalatenschap van erflater [erflater], die op [overlijdensdatum] is overleden. Erflater had zes kinderen, die als eisers optreden in deze procedure. Gedaagde, de echtgenote van erflater, is benoemd tot executeur van de nalatenschap. Het testament van erflater, opgesteld op 4 juli 2019, bevat bepalingen over de verdeling van de nalatenschap en de opeisbaarheid van vorderingen van de kinderen. De kinderen vorderen dat de netto verkoopopbrengst van de onderneming van erflater, die een zeilschip omvatte, wordt vastgesteld op € 954.755,00, en dat gedaagde hen een deel van deze opbrengst moet uitkeren. Gedaagde betwist de vorderingen en stelt dat de kinderen nog geen recht hebben op betaling.

De rechtbank heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat de verkoop van het schip, dat het hoofdbestanddeel van de onderneming was, onder de bepalingen van het testament valt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de netto verkoopopbrengst € 531.867,00 bedraagt, waaruit een zevende deel van € 10.981,00 per erfgenaam moet worden uitgekeerd. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat wettelijke rente verschuldigd is over dit bedrag, te rekenen vanaf de dag van dagvaarding. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 16 juli 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/322160 / HA ZA 24-399
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiseres 1],
te [woonplaats 2] ,
3.
[eiser 2],
te [woonplaats 3] ,
4.
[eiser 3],
te [woonplaats 4] ,
5.
[eiseres 2],
te [woonplaats 5] ,
6.
[bewindvoerder]in hoedanigheid van testamentair bewindvoerder van
[eiser 4],
te [woonplaats 6] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. C.J.A.M. Bots,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 7] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 15 januari 2025,
- het exploot van 20 januari 2025 waarmee de testamentair bewindvoerder in de procedure is betrokken,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met producties 1 t/m 10
- de akte van [gedaagde] met producties 11 t/m 13,
- de akte van [eisers] c.s. met producties 11 t/m 15
- de akte van [gedaagde] met productie 14,
- het bezwaar van [eisers] c.s. tegen de laatste akte van [gedaagde] en de reactie van [gedaagde] daarop,
- de pleitnotities van beide partijen,
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Het geschil van partijen heeft betrekking op de nalatenschap van erflater [erflater] (overleden op [overlijdensdatum] ). Erflater heeft zes kinderen achtergelaten, die op dit moment allemaal meerderjarig zijn. Zij zijn eisers in deze procedure. Op het moment van overlijden was erflater (onder huwelijkse voorwaarden) gehuwd met gedaagde. Erflater heeft in een testament over zijn nalatenschap beschikt. Als gevolg daarvan zijn de kinderen van erflater en gedaagde de erfgenamen en is de wettelijke verdeling van toepassing op de nalatenschap. Gedaagde is benoemd tot executeur. Ten aanzien van de jongste zoon van erflater is een testamentair bewind ingesteld.
2.2.
Erflater had een eenmanszaak en in het kader daarvan exploiteerde hij een zeilschip waarmee hij zeilreizen maakte met betalende gasten. Na het overlijden van erflater heeft gedaagde het schip verkocht. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk bedrag gedaagde op grond van het testament aan eisers moet betalen in verband met de verkoop.

3.De feiten

3.1.
Op [overlijdensdatum] is te [plaats] overleden [erflater] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1954 (hierna te noemen erflater). De laatste woonplaats van erflater was [plaats] .
3.2.
Erflater is bij leven drie keer gehuwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk zijn vijf kinderen geboren, namelijk eisers sub 1 tot en met sub 5 in deze procedure. Dit huwelijk is geëindigd door echtscheiding. Uit zijn tweede huwelijk is zijn zesde kind geboren (tevens eiser in deze procedure en vertegenwoordigd door de testamentair bewindvoerder). Dit huwelijk is eveneens geëindigd door echtscheiding. Erflater is op [datum] 2019 gehuwd (onder huwelijkse voorwaarden) met [gedaagde] . Dit huwelijk is geëindigd door het overlijden van erflater. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.
3.3.
Erflater had een eenmanszaak onder de naam “ [eenmanszaak] ”. In dat kader was erflater eigenaar van een zeilschip genaamd “ [het schip] ”(hierna: het schip). Met dit schip werden zeilreizen gemaakt met betalende gasten, onder andere langs de kust van Schotland.
3.4.
Op 30 maart 2021 heeft erflater samen met [naam] (hierna: [naam] ) een schriftelijke verklaring ondertekend. De verklaring is mede ondertekend door [gedaagde] als getuige en belanghebbende. In de verklaring staat onder andere:
Hierbij verklaar ik: [erflater] , geboren [geboortedatum 1] 1954 in [geboorteplaats 1] het volgende:
Ik verleen [naam] geboren [geboortedatum 2] 1993 in [geboorteplaats 2] het recht van eerste koop op: [eenmanszaak] ingeschreven K.v.K. Zwolle onder nummer [KVK-nummer] met alle relevante marketing informatie, drukwerk enz. met als hoofd bezitting Tall Ship [het schip] geregistreerd onder IMO nummer: [nummer]
Uitgesloten is de Landrover met kenteken [kenteken]
De koopprijs is 750.000,- exclusief B.T.W.
Verkoper is bereid 150.000,- in het bedrijf te laten met als zekerheid een tweede hypotheek en tegen 4% rente (…)
3.5.
Erflater heeft bij testament van 4 juli 2019 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin is [gedaagde] tot executeur benoemd. In het testament is een testamentair bewind ingesteld over hetgeen de jongste zoon, [eiser 4] , uit de nalatenschap verkrijgt met benoeming van de moeder van deze zoon tot bewindvoerder.
3.5.1.
In het testament is onder andere het volgende bepaald:
Indien de sub II gemaakte erfstelling geen effect sorteert, verklaar ik de sub III.B gemaakte bepalingen van overeenkomstige toepassing op de eventueel alsdan geldende wettelijke verdeling van mijn nalatenschap volgens Afdeling 4.3.1 Burgerlijk Wetboek.
3.5.2.
Onder III.B.c. van het testament is bepaald:
Indien mijn partner mijn onderneming genaamd: “ [eenmanszaak] ” gevestigd en kantoorhoudende te [adres] , ingeschreven in het handelsregister onder nummer: [KVK-nummer] vervreemdt, is een gedeelte van voormelde vorderingen van mijn afstammelingen op mijn partner eveneens opeisbaar.
Het opeisbare gedeelte van de vordering is gelijk aan het breukdeel dat de betreffende afstammeling zou hebben geërfd indien mijn partner en mijn kinderen mijn enige erfgenamen zouden zijn geweest, met -ten aanzien van mijn kinderen- plaatsvervulling volgens de Nederlandse wet, maal de netto verkoopopbrengst (derhalve na aftrek van alle daarover verschuldigde belastingen en overige (verkoop)kosten) van de rederij op dat moment. Onder vervreemding wordt verstaan: levering in eigendom, het verhuren of verpachten of het “om niet” in gebruik afstaan en voorts iedere (obligatoire) overeenkomst die de strekking heeft een derde de economische eigendom te verschaffen, dit alles in de ruimste zin. Het op grond van deze regeling door mijn partner aan mijn kinderen uit te keren bedrag hoeft niet eerder te worden uitgekeerd dan binnen twee weken na ontvangst van de (eventuele) tegenprestatie door mijn partner.
3.6.
Op 30 december 2022 heeft [gedaagde] een overeenkomst gesloten met [naam] genaamd ‘
Koopovereenkomst inzake bedrijfsovername [eenmanszaak] te [vestigingsplaats]’ met als ondertitel ‘
Koopovereenkomst op hoofdlijnen’. In de overeenkomst is onder andere opgenomen dat het schip voor € 750.000,00 inclusief inventaris wordt verkocht aan [naam] , en dat de exploitatie ervan met ingang van 1 januari 2023 wordt overgedragen aan [naam] .
3.7.
De notariële levering was gepland in maart 2023, maar die is uitgesteld. Een week na het uitstel van de notariële levering en nog voor de daadwerkelijke levering, is het schip stuurloos geraakt en is schade ontstaan.
3.8.
[gedaagde] heeft op of omstreeks 17 mei 2023 aan ieder van de kinderen van erflater een (voorschot)betaling gedaan van een bedrag van € 65.000,00.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] c.s. vorderen - samengevat - te bepalen dat de netto verkoopopbrengst van de onderneming van erflater € 954.755,00 bedraagt en veroordeling van [gedaagde] om aan iedere eiser één zevende deel van die opbrengst uit te keren te verhogen met wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Opeisbaarheid van de geldvorderingen van de kinderen van erflater
5.1.
Het geschil heeft betrekking op de nalatenschap van erflater. Uit het testament van erflater volgt dat de wettelijke verdeling daarop van toepassing is. Dat betekent dat de wettelijke bepalingen uit Titel 3 afdeling 1 van Boek 4 van het Burgerlijk wetboek (BW) van toepassing zijn. In artikel 4:13 BW is in lid 2 bepaald dat de echtgenoot van de erflater van rechtswege de goederen van de nalatenschap verkrijgt en dat de schulden van de nalatenschap voor zijn of haar rekening komen. Dat betekent in dit geval dat [gedaagde] na het overlijden van erflater eigenaar werd van onder andere het schip. Uit de wettekst volgt verder (lid 3) dat de kinderen van de erflater (als zij ook erfgenaam zijn, hetgeen hier het geval is) een geldvordering op de langstlevende verkrijgen ter grootte van de waarde van hun erfdeel. Een dergelijke vordering van de kinderen is niet meteen opeisbaar. In de wet en in het testament is bepaald wanneer de opeisbaarheid intreedt.
5.2.
In het testament van erflater is onder III.B.c. een specifieke bepaling over de opeisbaarheid van de vorderingen van de kinderen opgenomen zoals hiervoor in dit vonnis is geciteerd (zie 3.5.2). Volgens de kinderen van erflater heeft zich met de verkoop van het schip aan [naam] de situatie voorgedaan als bedoeld onder III.B.c. van het testament. Volgens hen is toen de onderneming van erflater verkocht en overgedragen en is daarom een deel van hun erfdeel, namelijk ieders deel van de netto verkoopopbrengst, opeisbaar geworden. [gedaagde] betwist dat. Zij voert aan dat er weliswaar een onderdeel van de onderneming is verkocht, namelijk het schip en de exploitatie daarvan, maar dat de onderneming verder door haar is voortgezet en nu nog bestaat. Zij heeft primair aangevoerd dat de kinderen van erflater – uitgaande van grammaticale uitleg van het testament – nog niets te vorderen hebben uit hoofde van de betreffende bepaling van het testament. Subsidiair voert zij aan dat een uitleg op basis van de bedoeling van erflater de verplichting kan meebrengen om aan zijn kinderen alvast een bedrag uit te keren na de verkoop van het schip. Voor het geval de rechtbank dit standpunt volgt, heeft zij na aftrek van een aantal kosten, aan ieder van de kinderen een voorschotbetaling gedaan. Volgens [gedaagde] heeft zij daarmee aan een eventuele betalingsverplichting voldaan en hebben de kinderen op dit moment geen opeisbare vordering op haar.
Uitleg van het testament ten aanzien van vervreemding onderneming
5.3.
Partijen verschillen dus van mening over de betekenis van genoemde bepaling uit het testament. Dat leidt tot de situatie dat de inhoud van de bedoelde bepaling uit het testament op het eerste gezicht begrijpelijk lijkt te zijn, maar dat in de praktijk niet is in de verhouding tussen [gedaagde] en de kinderen van erflater. De rechtbank zal dit onderdeel van het testament daarom moeten uitleggen. Bij die uitleg komt het aan op de bedoeling van de erflater. Er moet gelet worden op de verhoudingen die de erflater met het testament kennelijk wil regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Dat volgt uit de wet (artikel 4:46 BW) en de jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2023:1531) De rechtbank overweegt het volgende.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat uitleg van het testament ertoe leidt dat de feitelijke verkoop van het schip (met de daarmee samenhangende ondernemingsactiviteiten) valt onder de strekking en de bedoeling van de bepaling onder III.B.c. uit het testament. Hoewel de geldvorderingen van de kinderen van erflater op grond van de wettelijke verdeling nog niet opeisbaar zijn, is dat voor een deel van die geldvorderingen anders als gevolg van deze bepaling uit het testament. Dit betekent dat een deel van de geldvorderingen van de kinderen opeisbaar is geworden in verband met de verkoop van het schip. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de hierna te noemen feiten en omstandigheden die zijn betrokken bij de uitleg van het testament.
5.5.
Tussen partijen staat het volgende vast. Het testament is opgesteld op 4 juli 2019. In 2020 werd erflater ziek en op 30 maart 2021 heeft erflater de wilsverklaring ondertekend waarin hij verklaart dat [naam] ten aanzien van de rederij met als hoofdbezitting het schip, het eerste recht van koop krijgt (zie hiervoor onder 3.4). Tussen partijen staat dan ook niet ter discussie dat erflater wilde dat [naam] het schip zou kopen en de exploitatie van het schip zou voortzetten. De verkoop van het schip aan [naam] heeft na het overlijden van erflater plaatsgevonden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat ondanks de verkoop van het schip en de daarmee samenhangende verplichtingen de rederij nog steeds bestaat en niet is verkocht. [gedaagde] voert aan dat zij de eenmanszaak van erflater onder dezelfde naam heeft voortgezet en dat daarom volgens haar geen sprake is van vervreemding van de onderneming in de zin van het testament. Zij heeft echter wel erkend dat de hoofdactiviteit van de rederij van erflater het schip betrof. Die kwalificatie van [gedaagde] komt dus overeen met de kwalificatie van erflater in zijn wilsverklaring uit 2021, waarin het gaat om het schip als hoofdbezitting van de rederij. De rechtbank is van oordeel dat de verkoop van het schip en de exploitatie daarvan valt onder de strekking en de bedoeling van de bepaling onder III.B.c. uit het testament. Doorslaggevend voor dat oordeel is dat met de verkoop van het schip het hoofdbestanddeel van de onderneming is verkocht. Dit past bij de visie van erflater zelf zoals verwoord in zijn wilsverklaring en de handelwijze van [gedaagde] in de periode na de verkoop waarin zij de – volgens haar becijferde – verkoopopbrengst heeft verdeeld onder de erfgenamen. Het enkele feit dat [gedaagde] nu nog een ander deel van de ondernemingsactiviteiten van de rederij voortzet via de eenmanszaak – zoals de activiteiten met betrekking tot de whisky-proeverijen – is niet genoeg voor een andere uitleg. De rechtbank volgt [gedaagde] dan ook niet in haar primaire standpunt dat de verkoop van het schip niet onder voornoemde bepaling van het testament valt. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat de bepaling in het testament zo moet worden uitgelegd dat de verkoop van het schip (met de exploitatie daarvan) onder die bepaling valt, aangezien het schip het hoofdbestanddeel van de rederij van erflater betrof. Het past bij de wil van erflater, zoals dat volgt uit zijn testament en de hiervoor omschreven context, dat zijn kinderen alvast een deel van hun erfdeel kunnen ontvangen op het moment dat het schip als hoofdbestanddeel van de onderneming wordt verkocht. De rechtbank volgt in zoverre het subsidiaire standpunt van [gedaagde] waarin zij heeft toegelicht dat erflater heeft willen regelen dat zijn kinderen alvast een deel van de erfenis zouden krijgen als het schip verkocht zou worden. Zij heeft daar ook feitelijk naar gehandeld door aan de kinderen al een voorschotbetaling te doen. Vaststaat dat die verkoop in 2023 heeft plaatsgehad. Dat betekent dat de kinderen van erflater in verband daarmee nu inderdaad aanspraak kunnen maken op een zevende deel van de netto verkoopopbrengst daarvan.
Uitleg netto verkoopopbrengst
5.6.
Vervolgens doet zich de vraag voor wat moet worden verstaan onder de in het testament genoemde “netto verkoopopbrengst”. In het testament staat daarover, in een zinsnede tussen haakjes, dat het gaat om de opbrengst na aftrek van alle daarover verschuldigde belastingen en overige (verkoop)kosten. Over de betekenis daarvan verschillen partijen eveneens van mening. [gedaagde] heeft aangevoerd dat onder de opbrengst moet worden verstaan het bedrag dat [gedaagde] daadwerkelijk uitgekeerd heeft gekregen. Zij heeft met de betaling van het voorschot (ruimschoots) aan haar betalingsverplichting voldaan, aldus [gedaagde] . De kinderen van erflater zien dat anders. Zij stellen dat de verkoop betrekking had op de gehele onderneming van erflater, zodat bij het vaststellen van de verkoopopbrengst ook de Landrover en de liquide middelen van de onderneming betrokken moeten worden. Verder stellen zij dat de lening aan [naam] niet in mindering mag strekken op het erfdeel van de erfgenamen. Dit verschil van inzicht leidt ertoe dat de rechtbank ook dit begrip uit het testament nader moet uitleggen op basis van artikel 4:46 BW.
5.7.
Voor die uitleg is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat erflater zijn weduwe goed verzorgd wilde achterlaten, zoals door [gedaagde] is aangevoerd en door de kinderen van erflater niet is weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat, gelet op die verzorgingsgedachte, het begrip “netto verkoopopbrengst” beperkt moet worden uitgelegd. Zoals hiervoor al is overwogen is niet de gehele onderneming van erflater verkocht, maar had de verkoop betrekking op het hoofdbestanddeel daarvan namelijk het schip en de daarbij behorende exploitatie. Voor de vordering op grond van artikel III.B.c. van het testament, kunnen de kinderen op dit moment alleen aanspraak maken op de netto verkoopopbrengst van dat deel van de onderneming: de verkoop van het schip en de daarmee samenhangende exploitatie. De kinderen hebben op dit moment geen recht op betaling van bedragen die verband houden met de delen van de onderneming die nog in handen zijn van [gedaagde] , zoals de eenmanszaak en de bankrekening. Dit geldt ook voor de landrover, omdat die ook door erflater in zijn wilsverklaring buiten de voorgenomen verkoop is gehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het uitgangspunt voor de verkoopopbrengst is dat het schip feitelijk is verkocht voor een som van € 750.000. Dat volgt uit het stuk genaamd ‘koopovereenkomst op hoofdlijnen’ zoals door [gedaagde] is overgelegd (productie 7 bij antwoord) en uit de “Specificatie Netto Verkoopopbrengst [eenmanszaak] ” zoals overgelegd in productie 6 bij dagvaarding door eisers. De vraag is welke kosten daarop in mindering strekken ter bepaling van de netto verkoopopbrengst. Door eisers is niet weersproken dat de koper van het schip de bijbehorende verplichtingen (zoals nog uit te voeren reizen) ook heeft overgenomen. Uit productie 6 bij dagvaarding volgt dat hiermee een bedrag van € 69.498 is gemoeid en dat dit bedrag van de verkoopopbrengst moet worden afgetrokken. Uit die productie volgt ook, zoals [gedaagde] aanvoert, dat een bedrag van € 1.365 (wegens verrekening van voorgeschoten kosten) moet worden opgeteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat een bedrag van € 68.133 in mindering strekt op het bedrag van de koopsom. Tot zover resteert dan een bedrag van € 681.867.
5.8.
In haar verweer tegen de vordering van eisers heeft [gedaagde] aangevoerd dat vervolgens ook nog de door de onderneming betaalde kosten voor achterstallig onderhoud (€ 44.699,96) en de kosten voor het herstel van de schroefas (€ 55.376,75) als verkoopkosten in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. [gedaagde] heeft daarvoor namelijk te weinig gesteld. Het enkele feit dat [gedaagde] nog onderhoud aan het schip heeft laten uitvoeren voor een bedrag van € 44.699,96, betekent namelijk niet dat deze kosten direct in verband staan met de verkoop van het schip. De gewone onderhoudskosten waaronder ook het door haar gestelde achterstallig onderhoud, kwamen immers tot aan het moment van verkoop voor risico van [gedaagde] als eigenaar van het schip. Daar stond tegenover dat zij ook opbrengsten heeft gegenereerd in de periode na overlijden, hetgeen door [gedaagde] niet is betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat de onderhoudskosten niet direct te maken hebben met de verkoop en daarom niet als verkoopkosten in mindering kunnen worden gebracht bij de berekening van de netto verkoopopbrengst. In het licht hiervan is naar het oordeel van de rechtbank ook van belang dat in het taxatierapport van het schip niets is vermeld over achterstallig onderhoud, zoals eisers op de zitting hebben aangevoerd. Ten aanzien van de kosten van de reparatie van de schroefas van € 55.376,75 overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft ten aanzien van die kosten betoogd dat deze kosten in mindering moeten worden gebracht op de netto-opbrengst omdat het schip vanwege een kapotte schroefas nog voor de levering is gestrand en de schroefas daarom een voor de verkoop noodzakelijke reparatie was. Vanwege een mogelijke non-conformiteitclaim van de koper, moesten die kosten worden gemaakt, aldus [gedaagde] . Door eisers is echter betoogd dat ook het onderhoud aan de schroefas al eerder gepland stond in de winter voorafgaand aan de verkoop, maar dat het door een kapotte brug op het geplande moment niet is doorgegaan. Volgens eisers was het niet verantwoord om met de schroefas in deze staat te gaan varen en hebben [gedaagde] en de koper daarmee een – ook voor de koper bekend – risico genomen. Hiermee hebben eisers gemotiveerd weersproken dat de kosten voor reparatie van de schroefas in mindering moeten worden gebracht op de verkoopopbrengst.
5.9.
Ten slotte heeft [gedaagde] de lening aan [naam] van € 150.000 in mindering gebracht omdat zij dit deel van de verkoopopbrengst nog niet feitelijk heeft ontvangen. Volgens [gedaagde] maakt het geleende bedrag daarom geen deel uit van de netto verkoopopbrengst maar volgens eisers is dat niet terecht. De rechtbank volgt [gedaagde] op dit punt vanwege de reeds eerder genoemde verzorgingsgedachte uit het testament. In het licht daarvan past het om de lening nu in mindering te brengen bij de bepaling van de netto verkoopopbrengst. In het testament gaat het bovendien om de ontvangst van de netto verkoop opbrengst en het geleende geld is nog niet door [gedaagde] ontvangen.
5.10.
Op grond van het voorgaande komt de netto verkoopopbrengst uit op € 531.867 (namelijk € 750.000 minus € 68.133 en minus € 150.000). Een zevende deel daarvan bedraagt € 75.981,00 per erfgenaam. Zij hebben al ontvangen € 65.000,00 en hebben na aftrek daarvan nog recht op betaling van een bedrag van €10.981,00.
Rente
5.11.
Eisers hebben aanspraak gemaakt op betaling van rente over het hen toekomende bedrag. [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat zij op grond van het testament (onderdeel III.B.a.) geen rente hoeft te vergoeden. Dat zou volgens [gedaagde] alleen het geval zijn als zij en de kinderen van erflater dat anders hadden bepaald, maar dat is niet gebeurd, zo voert zij aan. De rechtbank volgt dit verweer van [gedaagde] niet. Weliswaar zijn [gedaagde] en eisers geen rente overeengekomen, maar er is wel sprake van een vordering die op grond van het testament opeisbaar is geworden. [gedaagde] is in verband daarmee door eisers tot betaling aangesproken en zij is vervolgens gedagvaard, terwijl volledige betaling is uitgebleven. [gedaagde] is daarom in verzuim geraakt. De rechtbank zal in verband daarmee de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen over het bedrag van € 10.981,00, te rekenen vanaf de dag van dagvaarding (11 september 2024).
Proceskosten
5.12.
De relatie tussen partijen en de omstandigheid dat partijen in deze procedure ieder deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zijn aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.Beslissing

De rechtbank,
6.1.
bepaalt dat de netto verkoopopbrengst als gevolg van de vervreemding door [gedaagde] van (de exploitatie van) het schip [het schip] als onderdeel van de onderneming van ‘ [eenmanszaak] ’ € 531.867,00 bedraagt,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] aan iedere eiser te voldoen een bedrag van € 10.981,00 (zijnde één zevende deel van voornoemde netto verkoopopbrengst, te verrekenen met het al door [gedaagde] betaalde bedrag van € 65.000,00) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025. (ap)