De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen. De minderjarige is in augustus 2024 zonder toestemming van de moeder door de vader naar Wit-Rusland vertrokken, waar hun verblijfplaats onbekend is. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit.
De kinderrechter beoordeelt de rechtsmacht aan de hand van het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996, omdat het kind ongeoorloofd is overgebracht naar een niet-EU-land. De gewone verblijfplaats van het kind was Nederland en er is sprake van ongeoorloofd niet terugkeren. De Nederlandse rechter is bevoegd en past Nederlands recht toe.
Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van het kind acuut en ernstig wordt bedreigd, waardoor een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De rechter stelt het kind voor drie maanden onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel en bepaalt een vervolgprocedure voor een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
De vader en het kind waren niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, de moeder stemde in met het verzoek. De rechter benadrukt het belang van een Veiligheidsplan en passende hulpverlening zodra het kind terugkeert naar Nederland.