Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het procesverloop
2.De feiten
[kind]is geboren. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind].
Rechtbank Overijssel
De moeder verzoekt de rechtbank om een bevel tot terugverhuizing van haar minderjarige kind vanuit Wit-Rusland naar Nederland en om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar. De vader is zonder toestemming met het kind naar Wit-Rusland vertrokken, waar het kind sinds augustus 2024 verblijft. De rechtbank stelt vast dat de vader niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelt dat zij op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 niet bevoegd is om het bevel tot terugverhuizing te geven, aangezien terugverhuizing valt onder internationale kinderontvoering en niet onder ouderlijke verantwoordelijkheid. Het Verdrag inzake de burgerrechterlijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 1980 is van toepassing, en de Nederlandse rechter is niet bevoegd omdat het kind zich in Wit-Rusland bevindt.
Wel is de rechtbank bevoegd om te oordelen over de hoofdverblijfplaats van het kind, waarbij Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had en dat sprake is van ongeoorloofd niet terugkeren. De moeder heeft via gerechtelijke procedures in Wit-Rusland en Nederland verzoeken ingediend tot terugkeer van het kind.
De rechtbank wijst het verzoek toe om de hoofdverblijfplaats bij de moeder vast te stellen, omdat de vader zonder toestemming is vertrokken en het contact tussen moeder en kind sinds augustus 2024 is verbroken. De moeder wordt geacht het belang van het kind voorop te stellen en is bereid hulpverlening te accepteren. De proceskosten worden gecompenseerd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot terugverhuizing afgewezen wegens onbevoegdheid, hoofdverblijfplaats van het kind vastgesteld bij de moeder.