De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige die tevens een verstandelijke handicap heeft. De tenlastelegging betrof twee perioden waarin verdachte zou hebben gehandeld met het slachtoffer, dat destijds jonger dan zestien jaar was en niet in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken.
Tijdens de terechtzitting op 24 juli 2025 heeft de rechtbank kennisgenomen van de verklaringen van het slachtoffer, haar vader, en andere betrokkenen, evenals de ontkennende verklaring van verdachte. De rechtbank heeft het bewijs onderzocht aan de hand van de bewijsminimumregel uit artikel 342, tweede lid, Sv, die vereist dat de verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door ander bewijs.
De rechtbank concludeerde dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevatte om de verklaringen van het slachtoffer te onderbouwen. Verklaringen van derden waren gebaseerd op horen zeggen en konden niet als onafhankelijk bewijs dienen. Ook chats tussen verdachte en het slachtoffer boden geen voldoende ondersteuning. Hierdoor is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De rechtbank sprak verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien deze vordering verband hield met de vrijgesproken feiten. De benadeelde partij wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor eventuele verdere vorderingen.