Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
[partij A] VOF,
[partij B] B.V.,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie d.d. 13 augustus 2025, met 13 producties,
- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 22 september 2025 met de producties 14 tot en met 18 van [partij B] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025.
2.Waar gaat de zaak over?
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
voor het eerstmogelijk aan het eind van de periode en onder de voorwaarden als omschreven in artikel 1. Uit artikel 1 blijkt dat met ‘de periode’ is gedoeld op de vijf jaar na de datum van ondertekening. In dit geval: de periode tussen 18 juli 2019 en 18 juli 2024. De tussenconclusie is dat een opzegging van de overeenkomst voor het eerst mogelijk was aan het eind van de periode die liep tot 18 juli 2024.
.Indien de door [partij B] verdedigde uitleg de juiste zou zijn, zouden de woorden ‘voor het eerst’ juist moeten zijn weggelaten. Dan was duidelijk geweest dat opzegging louter mogelijk was tegen het einde van iedere (stilzwijgend verlengde) vijfjaarsperiode.
tenzij– indien één van de partijen uiterlijk 1 september
van dat jaarheeft opgezegd bij aangetekende brief. De formulering van de bepaling zorgt er voor dat, afhankelijk van op welk moment de overeenkomst is aangegaan, er een temporeel gat ontstaat tussen het einde van de contractsperiode (in dit geval 18 juli 2024) en 1 september van het betreffende jaar. Voor die periode blijft de verlengde status van de overeenkomst onzeker. Die onzekerheid moet naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico blijven van [partij B] , als opsteller van de overeenkomst en de sterkere partij binnen de rechtsverhouding.