ECLI:NL:RBOVE:2025:6840

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/08/338765 / KG ZA 25-228
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over verkoop, gebruik en beheer woning uit nalatenschap na overlijden erflaatster

In deze zaak gaat het om een nalatenschap waarin een woning met hypotheekschuld is opgenomen. De erfgenamen, bestaande uit kinderen en kleinkinderen van de overleden erflaatster, zijn het niet eens over verkoop, verdeling van de woning en beheer van de ervenrekening. Een van de erfgenamen woont in de woning.

De eisers vorderen onder meer dat een gemachtigde erfgenaam wordt gemachtigd tot verkoop van de woning en beheer van de ervenrekening, dat de bewoners medewerking verlenen aan verkoop en levering, dat gebruiksvergoeding wordt betaald en dat de woning binnen vier weken wordt ontruimd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er een spoedeisend belang is bij de vorderingen vanwege de hypotheekschuld en stagnatie in afwikkeling. De machtiging tot verkoop wordt afgewezen, maar medewerking aan verkoop en levering wordt onder voorwaarden toegewezen, met een termijn van vier maanden voor overname door een erfgenaam. De bewoner moet de woning ontruimen uiterlijk één dag voor levering aan een derde. De vordering tot gebruiksvergoeding wordt afgewezen omdat de bewoner al kosten draagt. Tot slot wordt de gemachtigde erfgenaam gemachtigd tot beheer van de ervenrekening. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst medewerking aan verkoop en beheer toe, wijst machtiging tot verkoop af, en bepaalt ontruiming woning vóór levering.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/338765 / KG ZA 25-228
Vonnis in kort geding van 25 november 2025
in de zaak van
[eiser 1],
wonende in [woonplaats 1] ,
handelend:
1. voor zichzelf,
en als gevolmachtigde van:
2.
[eiser 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
3.
[eiser 3],
wonende in [woonplaats 3] ,
4.
[eiser 4],
wonende in [woonplaats 4] ,
5.
[eiser 5],
wonende in [woonplaats 5] ,
6.
[eiser 6],
wonende in [woonplaats 6] ,
hierna te noemen: [eiser 6] ,
7.
[eiser 7],
wonende in [woonplaats 7] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. C.A.F. Schoemaker,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 8] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. J.J.M. Pinners,
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 9] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. J.J.M. Pinners,
3.
[gedaagde 3],
wonende in [woonplaats 10] ,
handelend als gevolmachtigde van:
-
[gedaagde 4],
wonende in [woonplaats 11] , en
-
[gedaagde 5],
wonende in [woonplaats 12] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
verschenen in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1.Waar deze zaak over gaat

1.1.
Op [overlijdensdatum] 2025 is [erflaatster] overleden. Haar erfgenamen zijn haar kinderen [eisers] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , en haar kleinkinderen, [gedaagde 4] en [gedaagde 5]. Tot de nalatenschap behoort een woning met hypotheekschuld. [gedaagde 1] is woonachtig in deze woning.
1.2.
De erfgenamen komen niet tot overeenstemming over de verkoop of verdeling van de woning en het beheer van de ervenrekening. [eisers] vorderen daarom dat [eiser 6] door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wordt gemachtigd om de woning te verkopen en leveren dan wel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld om mee te werken aan het verstrekken van een bemiddelingsopdracht aan een makelaar, de totstandkoming van de koopovereenkomst, de uitvoering van deze koopovereenkomst en het opvolgen van alle instructies en adviezen van de makelaar. Daarnaast vorderen [eisers] dat [gedaagde 1] een gebruiksvergoeding aan de andere erfgenamen betaalt voor het gebruik van de woning, dat [gedaagde 1] de woning binnen vier weken ontruimt en dat [eiser 6] door [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wordt gemachtigd om de ervenrekening te beheren.
1.3.
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot machtiging van [eiser 6] tot de verkoop en levering van de woning af, maar wijst de vorderingen tot medewerking van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan het verstrekken van de bemiddelingsopdracht, de totstandkoming van de koopovereenkomst, de uitvoering van deze koopovereenkomst en het opvolgen van alle instructies en adviezen van de makelaar toe, onder de voorwaarde dat [gedaagde 2] de woning niet binnen vier maanden heeft overgenomen. De voorzieningenrechter bepaalt ook dat [gedaagde 1] de woning zal moeten ontruimen vóór levering na verkoop aan een derde. Daarnaast wijst de voorzieningenrechter de vordering tot machtiging van [eiser 6] over het beheer van de ervenrekening toe. De voorzieningenrechter wijst de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding door [gedaagde 1] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9, uitgebracht op 7 oktober 2025,
- de producties 1 tot en met 4 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarin eiser productie 10 heeft overlegd,
- de pleitnota van [eisers] ,
- de pleitnota van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

3.De feiten

3.1.
Op [overlijdensdatum] 2025 is erflaatster overleden. Erflaatster heeft haar kinderen, [eisers] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , en haar kleinkinderen, [gedaagde 4] en [gedaagde 5], als erfgenamen achtergelaten. Tot de nalatenschap behoort de woning aan de [adres 1] en de daarbij behorende hypotheekschuld. [gedaagde 1] is al meer dan veertig jaar woonachtig in deze woning. Zij heeft daar met haar ouders gewoond, die door haar verzorgd werden.
3.2.
Erflaatster heeft geen executeur benoemd. Uit een verklaring van erfrecht van maart 2025 blijkt dat alle erfgenamen [eiser 6] hebben gemachtigd hen te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap.
3.3.
In mei 2025 heeft de notaris [eiser 6] bericht dat [gedaagde 1] de volmacht aan [eiser 6] heeft ingetrokken. De erfgenamen hebben vervolgens geprobeerd tot overeenstemming te komen over de verdeling of verkoop van de woning en het beheer over de ervenrekening, maar dit is niet gelukt.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen (samengevat):
primair:
I. [eiser 6] te machtigen tot het verkopen en leveren van de woning,
II. [gedaagde 1] te veroordelen alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar op te volgen,
subsidiair:
III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen binnen twee dagen na dit vonnis mee te werken aan het verstrekken van een bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V. om de woning te verkopen voor een zo hoog mogelijke opbrengst en minimaal € 350.000,00 kosten koper, tenzij de makelaar uitdrukkelijk anders adviseert,
IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor elke dag(gedeelte) dat zij niet aan vordering III. voldoen,
V. te bepalen dat, nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een maximumbedrag aan dwangsommen hebben verbeurd, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V.,
VI. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om telkens binnen twee dagen na verzoek van [bedrijf] B.V. alle instructies en adviezen van deze makelaar op te volgen,
VII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag(gedeelte) dat zij niet aan vordering VI. voldoen,
VIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om binnen twee dagen na verzoek van [bedrijf] B.V. mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst van de woning,
IX. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de koopovereenkomst als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan vordering VIII. voldoen,
X. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen mee te werken aan de uitvoering van de koopovereenkomst,
XI. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de levering als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan vordering X. voldoen,
primair en subsidiair:
XII. [gedaagde 1] te veroordelen om aan de andere erfgenamen gezamenlijk een gebruiksvergoeding van € 1.000,00 per maand te betalen voor zolang [gedaagde 1] de woning uitsluitend gebruikt,
XIII. te bepalen dat de gebruiksvergoeding telkens voor de eerste dag van de maand vooruitbetaald moet worden op de ervenrekening, ingaand op de dag van het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag van verlaten van de woning,
XIV. [gedaagde 1] te veroordelen de woning binnen vier weken na betekening van dit vonnis te ontruimen,
XV. te bepalen dat, indien [gedaagde 1] de woning niet op tijd ontruimt, [eisers] gemachtigd zijn de ontruiming met behulp van de sterke arm van politie en justitie uit te voeren,
XVI. [eiser 6] te machtigen om de ervenrekening te beheren,
XVII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten,
XVIII. te bepalen dat verbeurde dwangsommen en proceskosten een opeisbare vorderingen van [eisers] op [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] opleveren welke vorderingen bij de verdeling van de nalatenschap kunnen worden ingebracht en verrekend met het erfdeel van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] .
4.2.
[eisers] leggen aan de vorderingen ten grondslag dat, aangezien [gedaagde 1] de woning niet kan financieren, zij de woning moet verlaten zodat de woning kan worden verkocht, de hypotheekschuld kan worden voldaan en de nalatenschap verder kan worden afgewikkeld. Om de woning te kunnen verkopen en leveren willen [eisers] ervan verzekerd zijn dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan de verkoop en levering zullen meewerken.
4.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en voeren aan dat hun meer tijd moet worden gegund om te onderzoeken of [gedaagde 1] toch in de woning kan blijven wonen.
4.4.
[gedaagde 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat zij de vorderingen die tegen haar zijn ingesteld niet betwist.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Volgens vaste rechtspraak kan medewerking aan de verkoop en levering van een woning worden gevorderd in een kortgedingprocedure, ondanks de onomkeerbare gevolgen van toewijzing van deze vorderingen, zolang de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. [1] De voorzieningenrechter moet eerst beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij deze voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Daarna moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
5.2.
[eisers] hebben aangevoerd dat zij een spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, omdat de hypotheekschuld pas kan worden voldaan nadat de woning is verkocht en de verdeling van de nalatenschap op dit moment stagneert. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben dit niet betwist. Dat de woning met het verstrijken van de tijd meer waard wordt, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanvoeren, doet hier niet wezenlijk aan af, mede omdat de hypotheekschuld ook steeds verder oploopt. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven. Ook ten aanzien van de overige vorderingen is het spoedeisend belang gegeven, omdat deze vorderingen – met uitzondering van na te noemen vordering - in nauw verband staan met de vordering tot machtiging tot verkoop en levering of medewerking aan de verkoop en levering van de woning. Voor de vordering die ziet op het machtigen van [eiser 6] tot het beheer van de ervenrekening geldt dat voldoende spoedeisend belang bij die voorziening reeds gelegen is in het weer kunnen verrichten van banktransacties met gebruikmaking van de ervenrekening.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat elke deelgenoot te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen, waarbij de rechter, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend een vordering tot verdeling voor een bepaalde tijd kan uitsluiten (art. 3:178 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek). Dat laatste is niet aan de orde. De voorzieningenrechter dient wel te beoordelen of het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om thans niet over te gaan tot verkoop en levering van de woning zwaarder weegt dan het belang van [eisers] om dat wel te doen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gegeven belang van [eisers] het zwaarst weegt, zij het dat hij de vordering tot veroordeling tot medewerking aan, kort gezegd, verkoop en levering van de woning voorwaardelijk zal toewijzen. De motivering van die beslissing volgt hieronder.
[eiser 6] wordt niet gemachtigd om de woning te verkopen en te leveren
5.4.
De voorzieningenrechter zal de primaire vorderingen afwijzen. Het toewijzen van die vordering zou betekenen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet of nauwelijks betrokken zullen zijn bij de verkoop en levering. Daartoe bestaat geen aanleiding, nu zij zelf om een ‘tijdelijke regeling’ vragen, ‘waarbij [gedaagde 1] de woning kan blijven gebruiken tegen en redelijke vergoeding, met een passende termijn voor verkoop en overdracht’.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten wel meewerken aan verkoop en levering
5.5.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordelen mee te werken aan het verstrekken van een bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V., de totstandkoming van de koopovereenkomst, de uitvoering van deze koopovereenkomst (waaronder de levering) en het opvolgen van alle instructies en adviezen van [bedrijf] B.V., met dien verstande dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] pas hoeven mee te werken aan het verstrekken van de bemiddelingsopdracht binnen vier maanden na de datum van dit vonnis. De voorzieningenrechter acht namelijk van belang dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nodige tijd krijgen om te onderzoeken of [gedaagde 2] de woning kan overnemen en aan [gedaagde 1] kan verhuren. [gedaagde 2] heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij graag de woning wil overnemen, maar dat hij te weinig tijd heeft gekregen om dit goed te onderzoeken. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat [eiser 6] na het overlijden van moeder voor een periode van vier maanden onderzoek heeft gedaan of hij de woning kon overnemen en dat [eisers] , toen bleek dat [eiser 6] de woning niet kon overnemen, overgegaan zijn tot het nemen van stappen om tot verkoop van de woning over te kunnen gaan. Deze gang van zaken hebben [eisers] niet, althans onvoldoende betwist. De voorzieningenrechter geeft [gedaagde 2] hiermee de door hem verzochte tijd. Op die wijze wordt ook rekening gehouden met de omstandigheid dat [gedaagde 1] op dit moment geen zicht op een andere woning heeft. De voorzieningenrechter wil [gedaagde 1] daarom de tijd geven om (verder) op zoek te gaan naar andere woonruimte. [gedaagde 1] stelt een huurovereenkomst gesloten te hebben met erflaatster en beroept zich op huurbescherming. Wat daar ook van zij, deze eventuele huurovereenkomst staat niet aan verkoop en levering van de woning in de weg. Dit verweer van [gedaagde 1] keert terug bij de bespreking van de vordering tot ontruiming.
5.6.
Mocht het [gedaagde 2] niet lukken om de woning binnen vier maanden na de datum van dit vonnis over te nemen, dan zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten meewerken aan het verstrekken van een bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V. De voorzieningenrechter zal de subsidiaire vorderingen onder III., VI., VIII. en X. in die zin toewijzen.
5.7.
De voorzieningenrechter zal voor het hiervoor onder 5.6. genoemde geval bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] met betrekking tot de bemiddelingsopdracht, de koopovereenkomst en de notariële levering indien [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet meewerken aan het verstrekken van een bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V. respectievelijk de totstandkoming van de koopovereenkomst respectievelijk de uitvoering van deze koopovereenkomst (waaronder de levering) respectievelijk het opvolgen van alle instructies en adviezen van [bedrijf] B.V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen verweer tegen deze vorderingen gevoerd en toewijzing van deze vorderingen draagt eraan bij dat de verdeling van de nalatenschap niet door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan stagneren. De voorzieningenrechter zal de subsidiaire vorderingen onder V., IX. en XI. overeenkomstig toewijzen.
5.8.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom onder IV. afwijzen, omdat medewerking aan het verstrekken van de bemiddelingsopdracht door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldoende is gewaarborgd door toewijzing van de subsidiaire vordering onder V. De voorzieningenrechter zal wel de gevorderde dwangsom onder VII. wel toewijzen als stok achter de deur voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om de instructies en adviezen van [bedrijf] B.V. op te volgen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter de dwangsom zal beperken zoals is vermeld in de beslissing.
[gedaagde 1] moet ook de woning ontruimen
5.9.
De voorzieningenrechter zal voor het geval de woning aan een derde verkocht wordt de ontruimingsvordering toewijzen, met dien verstande dat [gedaagde 1] uiterlijk één dag voor de leveringsdatum de woning moet ontruimen. [eisers] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bewoning van de woning door [gedaagde 1] gedurende de verkoopprocedure een beletsel vormt om de woning te verkopen. In de brief van de makelaar (productie 9 bij dagvaarding) staat weliswaar dat de makelaar het nodig vindt dat de woning in onbewoonde staat moet zijn voor bezichtigingen, maar een reden is niet gegeven. Bezichtigingen kunnen immers ook plaatsvinden in een nog bewoonde woning. Zoals hiervoor vermeld doet [gedaagde 1] een beroep op huurbescherming op grond van een huurovereenkomst met haar moeder. Los van de vraag of het bestaan van een huurovereenkomst in de weg kan staan aan het toewijzen van een vordering van [eisers] tot ontruiming van de woning, heeft [gedaagde 1] naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een huurovereenkomst gesloten heeft met erflaatster. Zij onderbouwt dat alleen met bewijs van betalingen. Het verrichten van maandelijkse betalingen zonder omschrijving aan erflaatster is in dat verband onvoldoende, nu deze betalingen ook bijdragen in de kosten van de huishouding kunnen zijn. Het na het overlijden van erflaatster doen van betalingen onder vermelding van ‘huur’ maakt dat - als eenzijdige nadere invulling - niet anders. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden daarnaast dat de inboedel in de woning moet blijven tot deze verdeeld is. Gezien de termijn voor ontruiming hebben partijen voldoende tijd om de inboedel te verdelen. De vordering is dus toewijsbaar. De voorzieningenrechter zal volledigheidshalve bepalen dat, indien [gedaagde 1] de woning niet op tijd ontruimt, [eisers] de ontruiming mogen laten uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
[gedaagde 1] hoeft geen gebruiksvergoeding te betalen
5.10.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde 1] geen gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de nalatenschap. Tijdens de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 1] in ieder geval vanaf het overlijden van moeder de vaste bewonerslasten, zoals gas, water, licht, elektra, internet, kosten van de cv ketel, afvalstoffenheffing en onderhoud aan de woning, en de vaste eigenaarslasten, zoals belastingen die zien op de woning, betaalt aan de nalatenschap. Over de periode vanaf 9 januari 2025 tot en met 25 april 2025 heeft [gedaagde 1] hiervoor een totaalbedrag aan de ervenrekening overgemaakt. In mei 2025 heeft [gedaagde 1] de afschrijving van de vaste lasten van de ervenrekening stopgezet door zelf abonnementen voor haar vaste lasten af te sluiten die zij sindsdien zelf betaalt. Ook betaalt zij vanaf eind juli 2025 € 400,00 per maand aan de ervenrekening als tegemoetkoming voor de maandelijkse hypotheekrentekosten met terugwerkende kracht tot en met mei 2025. Doordat [gedaagde 1] deze bedragen voor haar rekening neemt, betaalt zij in feite al een vergoeding voor haar gebruik van de woning. De voorzieningenrechter acht, gelet op wat hij hiervoor heeft overwogen over de bewoning van de woning door [gedaagde 1] en de omstandigheid dat zij de woning binnen afzienbare tijd zal moet verlaten, indien haar broer [gedaagde 2] de woning niet ten behoeve van haar uit de boedel overneemt, een vergoeding bovenop hetgeen [gedaagde 1] al betaalt niet redelijk.
[eiser 6] wordt wel gemachtigd om de ervenrekening te beheren
5.11.
De voorzieningenrechter zal [eiser 6] machtigen de ervenrekening te beheren namens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hiertegen aangevoerd dat zij onvoldoende vertrouwen hebben in [eiser 6] , omdat [eiser 6] in het verleden geld vanaf de ervenrekening naar zijn privérekening heeft overgemaakt. [eiser 6] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeven dat hij het geld naar zijn privérekening heeft overgemaakt om de lopende rekeningen van de nalatenschap te betalen, aangezien hij kort daarna geen toegang meer zou hebben tot de ervenrekening. Nadat [eiser 6] er door de notaris op is gewezen dat dit niet toegestaan is, heeft [eiser 6] het geld weer teruggestort op de ervenrekening. Dat laatste hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet betwist. De voorzieningenrechter acht het, gezien de uitleg van [eiser 6] , onvoldoende aannemelijk dat [eiser 6] oneerlijk heeft gehandeld. Het bezwaar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen het beheer van [eiser 6] gaat hierdoor niet op. Daar komt bij dat [eisers] er belang bij hebben dat één persoon de ervenrekening beheert en hiervoor gemachtigd is, zodat de schulden van de nalatenschap kunnen worden voldaan. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [eiser 6] als gemachtigde tijdig en volledig rekening en verantwoording over zijn beheer van de rekening af zal leggen aan de overige erven, onder wie [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gemachtigde van haar zoons.
Proceskosten
5.12.
Vanwege de familierechtelijke verhoudingen tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.
Verrekening is toegestaan
5.13.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat verbeurde dwangsommen als vorderingen door [eisers] bij de verdeling van de nalatenschap mogen worden ingebracht en worden verrekend met het erfdeel van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Toewijzing van deze vordering werkt namelijk als stok achter de deur voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om de instructies en adviezen van [bedrijf] B.V. op te volgen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen vier maanden na vandaag mee te werken aan het verstrekken van een bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V., gevestigd aan de [adres 2], om de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 1] te verkopen voor de hoogst mogelijke opbrengst doch in ieder geval niet voor een bedrag lager dan € 350.000,00 kosten koper, tenzij de makelaar uitdrukkelijk anders adviseert waarna het advies van de makelaar zal worden gevolgd,
6.2.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de bemiddelingsopdracht aan [bedrijf] B.V. als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan de veroordeling onder 6.1. voldoen,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om telkens binnen twee dagen na verzoek van [bedrijf] B.V. alle instructies en adviezen van deze makelaar op te volgen, waaronder het plaatsen van een verkoopbord in de voortuin van de woning, de woning open te stellen voor het bezichtigen door potentiële kopers en alle medewerking te verlenen om tot een behoorlijke verkoop(bemiddeling) te kunnen komen,
6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 6.3 voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen twee dagen na verzoek van [bedrijf] B.V. mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst van de onroerende zaak aan de [adres 1],
6.6.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de koopovereenkomst van de onroerende zaak aan de [adres 1] als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan de veroordeling onder 6.5. voldoen,
6.7.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om volledig mee te werken aan de uitvoering van de via bemiddeling van de makelaar tot stand gebrachte koopovereenkomst, waaronder te begrijpen de levering via de door de koper aan te wijzen notaris,
6.8.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] voor de notariële levering van de onroerende zaak aan de [adres 1] als [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet aan de veroordeling onder 6.7. voldoen,
6.9.
veroordeelt [gedaagde 1] om de woning aan de [adres 1] uiterlijk één dag voor de leveringsdatum volledig en behoorlijk te ontruimen, met al de haren en het hare, en onder afgifte van de sleutels aan de makelaar, ter vrije beschikking te stellen,
6.10.
machtigt [eisers] om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de ontruiming te doen uitvoeren, als [gedaagde 1] niet aan de veroordeling onder 6.9. voldoet,
6.11.
bepaalt dat aan de beslissingen onder 6.1. tot en met 6.10 de voorwaarde is verbonden, dat [gedaagde 2] niet binnen vier maanden na de datum van dit vonnis de woning uit de onverdeelde nalatenschap overgenomen heeft,
6.12.
verleent een machtiging aan [eiser 6] om de ervenrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] te beheren, inhoudende dat hij gemachtigd wordt tot het innen van tegoeden en het doen van betalingen voor de afwikkeling van de nalatenschap, bankafschriften in ontvangst te nemen of bankafschriften te downloaden, na overeenstemming over de verdeling de erfdelen aan de erfgenamen over te maken en na voltooiing van de verdeling de rekening op te zeggen,
6.13.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt,
6.14.
bepaalt dat eventueel verbeurde dwangsommen opeisbare vorderingen van [eisers] op [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] opleveren, welke vorderingen bij de verdeling van de nalatenschap tussen partijen kunnen worden ingebracht en verrekend met het erfdeel van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] die in gebreke zijn gebleven,
6.15.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.16.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025. (hg)

Voetnoten