ECLI:NL:RBOVE:2025:6980

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11810036 \ EJ VERZ 25-214
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:671 BWArt. 7:681 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet zonder dringende reden leidt tot toekenning van vergoedingen

In deze zaak staat de geldigheid van een ontslag op staande voet centraal. De werknemer berust in het ontslag, maar betwist dat er een dringende reden bestond. De kantonrechter stelt vast dat het ontslag met terugwerkende kracht is gegeven, wat niet is toegestaan volgens de wet. Daarnaast is het niet verschijnen op het werk op zichzelf onvoldoende voor een dringende reden, zeker zonder voorafgaande schriftelijke waarschuwing.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat de arbeidsovereenkomst onverwijld kon worden beëindigd. Daarom wordt het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig geacht. Vervolgens worden de gevorderde vergoedingen beoordeeld: de transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, een billijke vergoeding en achterstallig loon.

De transitievergoeding wordt toegekend conform de wettelijke regeling. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegekend omdat de arbeidsovereenkomst onregelmatig is opgezegd met terugwerkende kracht. De billijke vergoeding wordt toegewezen vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, maar wordt gematigd gelet op de omstandigheden en het feit dat de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden.

Ten aanzien van het achterstallige loon oordeelt de kantonrechter dat de werknemer recht heeft op het hogere salaris van de juiste functiegroep, ondanks dat de werkgever niet op de hoogte was van het diploma. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10% en rente. Tot slot wordt de werkgever verplicht om loonstroken te verstrekken en worden de proceskosten aan de zijde van de werkgever opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt niet rechtsgeldig geacht en de werknemer krijgt transitievergoeding, billijke vergoeding en achterstallig loon toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 11810036 \ EJ VERZ 25-214
Beschikking van 25 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. M.M.J.M. Hagenaars – de Gauw,
tegen
[verweerder] h.o.d.n. [bedrijf],
wonende te [woonplaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak gaat het om een ontslag op staande voet. De werknemer berust in de opzegging maar stelt dat er geen dringende reden bestond voor het ontslag. Hij verzoekt daarom onder andere om toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en vergoeding van het loon over de opzegtermijn. De werkgever wil dat de verzoeken worden afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet geen standhoudt. De verzoeken van werknemer worden grotendeels toegewezen. Dat oordeel wordt in deze beschikking verder toegelicht.

2.De procedure

2.1.
[verzoeker] heeft op 24 juli 2025 een verzoekschrift ingediend met producties. Op 6 oktober 2025 heeft [verweerder] een verweerschrift met producties ingediend. De mondelinge behandeling vond plaats op 15 oktober 2025. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigde van [verzoeker] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Ook heeft [verzoeker] tijdens de zitting aanvullende producties ingediend. Na de zitting heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld om een akte in te dienen. [verzoeker] heeft op 15 oktober 2025 een akte wijziging eis ingediend. [verweerder] heeft op 27 oktober 2025 gereageerd op die akte.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verzoeker], geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 6 februari 2023 werkzaam bij [verweerder]. Eerst op basis van een uitzendovereenkomst en per 26 augustus 2024 is hij in vaste dienst getreden.
3.2.
Op 22 maart 2023 heeft [verzoeker] zijn mbo-2 Schilder diploma gehaald.
3.3.
De functie van [verzoeker] is schilder met een loon van € 2.109,00 bruto per vier weken. Partijen hebben de arbeidsovereenkomst niet schriftelijk vastgelegd.
3.4.
In september en oktober 2023 kreeg [verweerder] klachten van twee klanten over het gedrag van [verzoeker]. [verweerder] heeft hem daar mondeling op aangesproken.
3.5.
Op 30 oktober 2023 hebben [verweerder] en [verzoeker] een gesprek gehad over het functioneren van [verzoeker]. Ook heeft [verzoeker] een gesprek gehad met zijn contactpersoon (dhr. [naam 1]) van het uitzendbureau waar hij werkzaam was.
3.6.
In december 2023 kreeg [verweerder] meldingen van twee klachten over het gedrag van [verzoeker].
3.7.
Op 10 juni 2024 zag [verweerder] dat [verzoeker] met een scooter naar het werk reed. [verweerder] heeft [verzoeker] daarop aangesproken, omdat [verzoeker] geen rijbewijs had.
3.8.
Op 12 juni 2024 ontving [verweerder] het volgende Whatsapp bericht terwijl [verzoeker] werkzaam is bij een klant van [verweerder]: “
[verzoeker] heeft geen veiligheidschoenen. Loopt op gympen.
3.9.
Op 19 juli 2024 vond er een bedrijfsbarbecue plaats. [verzoeker] verscheen op zijn scooter en nuttigde tijdens de barbecue alcohol en een joint. Na afloop van de barbecue vertrok [verzoeker] op zijn scooter. [verweerder] heeft [verzoeker] mondeling aangesproken dat het besturen van een scooter onder invloed gevaarlijk is.
3.10.
Op 18 november 2024 moest [verzoeker] om zes uur aanwezig zijn voor een project in Almere. [verzoeker] is niet verschenen. Daarover hebben partijen de volgende berichten gestuurd op Whatsapp (toevoeging namen en data door kantonrechter):

[verweerder] op 15 november 2024 om 14:33 uur: [verzoeker] jij gaat mee met ons naar Almere
[verzoeker] op 18 november 2024 om 07:07 uur: Morge ik had het Apple (de kantonrechter leest: appje) niet gelezen d8 dat ik gewoon weer naar niets moest ben daar nu
[verweerder] op 18 november 2024 om 07:34 uur: Nou dan heb jij donderdag niet goed geluisterd. Had gezegd 06:00 aan de zaak.
3.11.
Op 29 januari 2025 kreeg [verweerder] een melding van zijn klant dat [verzoeker] zijn werkschoenen niet draagt. [verweerder] heeft [verzoeker] die avond bericht dat [verzoeker] in het vervolg zijn werkschoenen aan moet doen.
3.12.
Op 7 april 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker], [verweerder] en een medewerker van [verweerder], dhr. [naam 2]. Tijdens dat gesprek is [verzoeker] aangesproken op zijn gedrag en zijn zorgen geuit over het welzijn van [verzoeker].
3.13.
Op 28 mei 2025 moest [verzoeker] om zes uur beginnen met werken. [verzoeker] is niet verschenen.
3.14.
Bij brief van 28 mei 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In die brief is het volgende vermeld:

(…). Afgelopen periode is gebleken dat je je niet aan je afspraken hebt houdt. Tot en met maandag heb ik getracht je te helpen met diverse zaken door de vingers te zien. Echter afgelopen week en nota bene vandaag niet op komen dagen op je werk en niets van je laten horen is voor mij een reden om de arbeidsovereenkomst met ingang van 26 mei te ontbinden. (…).
3.15.
De ontslagbrief is op 2 juni 2025 per Whatsapp aan [verzoeker] gestuurd. Daaropvolgend zijn de volgende berichten gestuurd (toevoeging naam door kantonrechter):
[verzoeker]:
“D’r staat in afspraak niet nagekomen, welke afspraak”
[verweerder]:
“Op tijd aan de zaak zijn? Je hebt je vaker verslapen! Je belt niet dat je je verslapen hebt. Je bent al weken meer afwezig tijdens het werk. Je weet heel goed dat het beter en anders kan! Niet nu de schuld of wat dan ook bij mij neerleggen. Je moet maar eens goed gaan nadenken of je zo verder wil in je leven? En dan bedoel ik dat op een goeie manier voor je!
3.16.
Bij brief van 8 juli 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder] gesommeerd tot overlegging van de arbeidsovereenkomst, een vakantiedagenoverzicht, loonstroken en een jaaropgave van 2024, alsmede betaling van de transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens schending van de opzegtermijn.
3.17.
Bij e-mail van 10 juli 2025 heeft [verweerder] gereageerd dat hij op een later moment nader inhoudelijk zal reageren. Op 11 juli 2025 heeft [verweerder] bericht dat de arbeidsovereenkomst nooit op schrift is gesteld vanwege ziekte van de boekhouder. Ook heeft [verweerder] een uiteenzetting gestuurd van de redenen die hem hebben bewogen om [verzoeker] op staande voet te ontslaan.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeker] berust in de opzegging van het dienstverband maar hij stelt dat er geen dringende reden voor het ontslag bestond. Daarnaast heeft [verweerder] hem te weinig salaris betaald, omdat [verzoeker] was ingedeeld in een te lage loonschaal. [verzoeker] verzoekt daarom, na wijziging van eis en kort samengevat, [verweerder] te veroordelen:
I. tot betaling van de transitievergoeding van € 2.450,45 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025,
II. tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 3.492,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025,
III. tot betaling van een billijke vergoeding van € 3.067,74 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 mei 2025,
IV. tot betaling van € 5.349,73 bruto aan achterstallig loon over de periode 26 augustus 2024 tot en met 27 mei 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der voldoening, alsmede de maximale wettelijke verhoging van 50%, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage,
V. tot afgifte van de bruto/netto specificatie van de betalingen waartoe [verweerder] wordt veroordeeld, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft deze af te geven tot een maximum van € 25.000,00
VI. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.2.
[verweerder] voert verweer. Volgens [verweerder] is het ontslag op staande voet terecht gegeven, omdat [verweerder] [verzoeker] meerdere kansen heeft gegeven en [verzoeker] zich niet naar behoren gedraagt. Ten aanzien van het achterstallige salaris voert [verweerder] aan dat hij niet wist dat [verzoeker] over een diploma beschikte en de verantwoordelijkheid voor het overleggen van diploma’s bij de werknemer ligt.

5.De beoordeling

5.1.
[verzoeker] heeft berust in de opzegging van het dienstverband. Volgens [verzoeker] was er echter geen sprake van een geldige dringende reden voor ontslag. Hij maakt daarom op grond van artikel 7:681 BW Pro aanspraak op betaling van een billijke vergoeding. De kantonrechter zal hierna eerst de dringende reden voor het gegeven ontslag beoordelen. Daarna worden de andere verzoeken van [verzoeker] beoordeeld.
De dringende reden
5.2.
Ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW Pro is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van werknemer, die ten gevolge hebben dat van werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat er geen andere ontslagredenen aan het ontslag ten grondslag kunnen worden gelegd dan de redenen die zijn opgenomen in de ontslagbrief. Dat komt omdat de werknemer zich na de ontslagbrief moet kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt.
5.3.
[verweerder] heeft aan zijn verweer ten grondslag gelegd dat hij [verzoeker] veel kansen heeft gegeven ten aanzien van zijn gedrag en dat [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd is om deze kansen aan te grijpen. Dat [verzoeker] op 28 mei 2025 niet op het werk is verschenen, was voor [verweerder] de spreekwoordelijke druppel die de emmer liet overlopen. Omdat [verweerder] deze redenen voor het eerst in zijn brief van 11 juli 2025 naar voren heeft gebracht en hij deze niet in de ontslagbrief heeft opgenomen, mogen deze redenen vanwege het onmiddellijke karakter van een ontslag op staande voet echter niet meer aan het ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd. De kantonrechter zal daarom alleen de ontslagreden zoals genoemd in de brief van 28 mei 2025 beoordelen. De overige, later door [verweerder] naar voren gebrachte ontslagredenen, moeten daarom vanwege de aard van het gegeven ontslag buiten beschouwing blijven.
5.4.
In de ontslagbrief is als dringende reden gemeld dat [verzoeker] niet is verschenen op zijn werk en dat hij ook geen contact heeft opgenomen met [verweerder].
5.5.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de ontslagbrief van 28 mei 2025 is de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 26 mei 2025. Artikel 7:677 lid 1 BW Pro biedt een werkgever de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen (ook wel een ontslag op staande voet genoemd). Voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht biedt de wet geen ruimte. Alleen al om die reden is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven.
5.6.
Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat het gegeven dat [verzoeker] op 28 mei 2025 niet op het werk is verschenen op zichzelf niet leidt tot een dringende reden tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft weliswaar toegelicht dat [verzoeker] verwijten kunnen worden gemaakt ten aanzien van zijn gedrag en dat [verweerder] gedurende het dienstverband heeft getracht om [verzoeker] te helpen bij verbetering daarvan, maar voor die situaties voorziet de wet in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst nadat partijen zonder succes een verbetertraject hebben doorlopen. [verweerder] heeft gekozen voor het vergaande middel van ontslag op staande voet. Daarvoor had [verweerder] op zijn minst eerst een duidelijke schriftelijke waarschuwing moeten geven, zodat voor [verzoeker] duidelijk was dat hij bij een volgende fout per direct zou worden ontslagen. Niet gebleken is dat [verweerder] in de periode voorafgaand aan mei 2025 een dergelijke duidelijke (schriftelijke) waarschuwing heeft gegeven, zodat het ontslag op staande voet ook op inhoudelijke gronden geen stand houdt.
5.7.
Gelet op het voorgaande concludeert de kantonrechter dat er geen dringende reden bestaat die maakt dat van [verweerder] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
De transitievergoeding
5.8.
In verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever is [verweerder] de transitievergoeding verschuldigd aan [verzoeker], zoals bedoeld in artikel 7:673 BW Pro. De gevorderde transitievergoeding van € 2.450.45 bruto zal worden toegewezen omdat de gevorderde transitievergoeding de kantonrechter niet ongegrond voorkomt (vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286). De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 28 juni 2025 omdat dit een maand na beëindiging van het dienstverband is (artikel 7:686a lid 1 BW).
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
5.9.
[verzoeker] heeft verzocht om toekenning van de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 11 BW Pro. Volgens deze bepaling is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Die situatie doet zich hier voor. De arbeidsovereenkomst is namelijk op 28 mei 2025 met terugwerkende kracht opgezegd, terwijl daarbij niet de ontslagregels in acht zijn genomen en daarvoor gelet op het voorgaande geen geldige dringende reden bestond, en er is dus opgezegd zonder rekening te houden met de geldende opzegtermijn. De arbeidsovereenkomst zou tot 1 juli 2025 hebben geduurd als de opzegtermijn wel in acht was genomen. Een bedrag van € 3.492,50 bruto inclusief vakantietoeslag, gelijk aan het salaris over de periode van 28 mei 2025 tot 1 juli 2025, is daarom toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen.
De billijke vergoeding
5.10.
Een ontslag op staande voet in strijd met de wettelijke regels (namelijk in strijd met artikel 7:671 BW Pro) is ernstig verwijtbaar, zodat een billijke vergoeding daarom op grond van de wet in beginsel toewijsbaar is. [verzoeker] heeft in dit geval op grond van artikel 7:681 lid 1 BW Pro verzocht om toekenning van een billijke vergoeding ter hoogte van
€ 3.067,74 bruto, zijnde één maandsalaris inclusief vakantiegeld.
5.11.
De hoogte van de billijke vergoeding moet bepaald worden aan de hand van de door de Hoge Raad in New Hairstyle (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187) weergegeven gezichtspunten. De vergoeding moet aansluiten bij de specifieke omstandigheden van het geval. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
5.12.
De kantonrechter overweegt het volgende. De kantonrechter acht de gevorderde billijke vergoeding redelijk. [verweerder] heeft toegelicht dat hij het vertrouwen in [verzoeker] is verloren en dat hij heeft geprobeerd om [verzoeker] te helpen zijn gedrag en werkhouding te verbeteren. [verzoeker] heeft dit erkend. Ook zonder het ontslag op staande voet zou het dienstverband als gevolg daarvan hoogst waarschijnlijk niet veel langer (hooguit een paar maanden in verband met een ontbindingsprocedure) hebben voortgeduurd. Verder is van belang dat [verzoeker] inmiddels ander werk heeft gevonden. Rekening houdend met al deze omstandigheden en het gegeven dat aan [verzoeker] een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging is toegekend, acht de kantonrechter de gevorderde billijke vergoeding redelijk. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente niet eerder verschuldigd is dan nadat [verweerder] met de betaling van de billijke vergoeding in verzuim verkeert. Dat is het geval als betaling niet binnen twee weken na de datum van deze uitspraak plaatsvindt.
Het achterstallige salaris
5.13.
[verzoeker] verzoekt om betaling van achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. [verzoeker] stelt dat hij in de functiegroep Schilder 1 thuishoort, omdat hij gediplomeerd schilder is, aangezien hij op 23 maart 2023 zijn mbo 1 diploma tot Schilder heeft gehaald. Op grond van bijlage 2 van de toepasselijke CAO hoort bij deze functie een salaris van Functiegroep 2.
5.14.
[verweerder] voert aan dat hij niet wist dat [verzoeker] gediplomeerd is, omdat hij dat nooit heeft verteld. Daarbij wijst [verweerder] naar jurisprudentie waaruit zou blijken dat de werkgever geen onderzoeksplicht heeft naar diploma’s die niet door de werknemer zelf naar voren zijn gebracht (ECLI:NL:RBNHO:2016:10735, ECLI:NL:RBOBR:2020:853, Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5365).
5.15.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De cao Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf in Nederland verplicht werkgevers om werknemers die vallen binnen de functieomschrijving Schilder 1 te belonen naar het salaris van Functiegroep 2. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] voldoet aan de criteria voor de functie Schilder 1. Dat betekent dat [verweerder] is gehouden om [verzoeker] het salaris van Functiegroep 2 te betalen. Dat [verweerder] niet wist dat [verzoeker] zijn diploma had behaald doet daar niet aan af. Het had op de weg van [verweerder] als werkgever gelegen om [verzoeker] op een correcte wijze in te schalen in de juiste loonschaal en [verzoeker] daarover te informeren. In dat kader had [verweerder] ook moeten vragen over welke kwalificaties [verzoeker] beschikte. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de jurisprudentie waar [verweerder] naar verwijst niet via de aangegeven vindplaatsen te vinden is en/of geen betrekking heeft op arbeidsrechtelijke vraagstukken over een meldplicht van een werknemer, waardoor deze jurisprudentie geen grondslag biedt om de verantwoordelijkheid over een correcte salariëring bij [verzoeker] te leggen.
5.16.
De kantonrechter oordeelt gelet op het voorgaande dat [verweerder] het achterstallige salaris van [verzoeker] dient te betalen. Het bedrag van € 5.349,73 bruto zal daarom worden toegewezen. Aangezien het achterstallige salaris is gebaseerd op een vergissing van [verweerder] en [verzoeker] zich ruim twee jaar later voor het eerst op het standpunt heeft gesteld dat hij te weinig salaris heeft ontvangen, zal de kantonrechter de wettelijke verhoging wegens vertraging naar billijkheid beperken tot tien procent (artikel 7:625 lid 1 BW Pro). De gevorderde wettelijke rente over het salaris zal worden toegewezen.
Salarisstrook
5.17.
[verzoeker] verzoekt tot slot om veroordeling van [verweerder] tot afgifte van een bruto/nettospecificatie van de betalingen waartoe [verweerder] wordt veroordeeld, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] in gebreke blijft deze af te geven met een maximum van € 25.000,00.
5.18.
Op grond van artikel 7:262 BW Pro is de werkgever verplicht bij elke voldoening van het in geld vastgestelde loon de werknemer een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van het loonbedrag, van de gespecificeerde bedragen waaruit dit is samengesteld en van de gespecificeerde bedragen die op het loonbedrag zijn ingehouden. De vordering tot afgifte van een bruto/nettospecificatie zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter zal [verweerder] daarvoor een termijn geven van veertien dagen in verband met de tijd die gepaard gaat met de administratieve verwerking daarvan. De dwangsom zal door de kantonrechter worden gemaximeerd tot een bedrag van € 7.500,00.
Proceskosten
5.19.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 2.450,45 bruto aan transitievergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 3.492,50 bruto wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 3.067,74 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van de gehele betaling,
6.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 5.349,73 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% van het salaris en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het salaris vanaf de datum van opeisbaarheid van de verschillende salaristermijnen tot aan de dag van de gehele betaling,
6.5.
veroordeelt [verweerder] tot afgifte van bruto/nettospesificaties van de betalingen waartoe [verweerder] is veroordeeld, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerder] daarmee na betekening van deze uitspraak in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,00,
6.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
6.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025. EA

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.