ECLI:NL:RBOVE:2025:7070

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
08.325832.23
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Stelselmatige mishandeling van een toenmalige vriendin met ernstige gevolgen

De rechtbank Overijssel heeft op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 39-jarige man, die werd beschuldigd van stelselmatige mishandeling van zijn toenmalige vriendin. De mishandelingen vonden plaats tussen augustus 2023 en 7 december 2023 en omvatten diverse gewelddadige handelingen zoals slaan, duwen, schoppen en het dichtdrukken van de keel van het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer, ondersteund door getuigen en bewijs van letsel, voldoende waren om de verdachte schuldig te verklaren. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht, verplichte ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.407,22 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank benadrukte de ernst van de mishandelingen en het effect daarvan op het slachtoffer, en rekende het de verdachte zwaar aan dat hij geen verantwoordelijkheid nam voor zijn daden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-325832-23 (P)
Datum vonnis: 20 november 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] (Joegoslavië),
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. L.J.H.M. Achten, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] is aangevoerd door mr. S. Smid.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] in de periode van augustus 2023 tot en met 7 december 2023 (stelselmatig) heeft mishandeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van augustus 2023 tot en met 7 december 2023 te Zwolle en/of te [plaats], althans in Nederland,
[slachtoffer] (stelselmatig) heeft mishandeld door
- haar (telkens) met kracht te slaan (met gebalde vuisten en/of met de vlakke hand) op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam (armen, rug, zij) en/of
- haar (telkens) met kracht tegen een muur te duwen en/of
-zijn handen (telkens) met kracht in haar mond te stoppen/drukken/heen en weer te bewegen waarbij hij, verdachte, de mond van die [slachtoffer] voornoemd aan de binnenkant verwondde en/of
-(telkens) met kracht haar keel dicht te drukken/knijpen en/of dicht gedrukt te houden en/of
-(telkens) met kracht aan haar haren te trekken en/of
-(telkens) haar gezicht open te krabben en/of
-(telkens) tegen haar lichaam te schoppen.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman moet, gelet op de ontkenning van verdachte, terughoudend met de aangifte worden omgegaan en bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. [1]
Op 7 december 2023 krijgt de politie een melding over een vermeende mishandeling van
[slachtoffer] (hierna: ‘[slachtoffer]’). De meldster had telefonisch contact met [slachtoffer] en hoorde dat er een conflict gaande was, waarbij ook geslagen werd. [2]
Naar aanleiding van deze melding rijdt de politie naar de woning van verdachte, aan de van [adres 1]. [3] Zij spreken daar met [slachtoffer] die, nadat zij apart is genomen, aangeeft dat verdachte haar heeft geslagen. De aanwezige politieagenten zien tijdens het gesprek met [slachtoffer] letsel in haar gezicht. Terwijl zij hiervan foto’s maken, zien zij ook letsel in haar hals. [slachtoffer] vertelt hen dat de mishandeling al een half jaar gaande is, dat dit dagelijks gebeurt en dat zij over haar hele lichaam blauwe plekken heeft.
Diezelfde dag doet [slachtoffer] aangifte van mishandeling. [4] Zij verklaart dat zij ongeveer een half jaar een relatie heeft met verdachte. De eerste drie tot vier weken ging het goed, maar daarna kreeg hij losse handjes. De mishandelingen vonden de laatste weken vaker plaats en werden heftiger. Het begon met slaan en duwen, maar dit veranderde in het kapot krabben van haar gezicht en wurgen. Verdachte heeft ook meerdere keren (waaronder op 6 en 7 december 2023) met zijn handen in haar mond gezeten, waarbij hij de binnenkant van haar mond kapot trok.
[slachtoffer] beschrijft in haar aangifte van 7 december 2023 verschillende ruzies met verdachte. [5] Onder meer een ruzie die ongeveer vijf tot zes weken geleden plaatsvond in de woning van verdachte. Verdachte heeft haar toen met zijn vuist in haar linkerzij geslagen, terwijl zij op de grond lag. Over een ruzie van (ongeveer) twee weken geleden vertelt [slachtoffer] dat zij door verdachte met platte handen is geslagen in haar gezicht, op haar armen, op haar rug en in haar zij. Daarnaast duwde verdachte haar tegen de keuken en de muur, trapte hij met veel kracht tegen haar rechterbovenbeen en pakte hij haar bij haar keel. [slachtoffer] voelde dat verdachte in haar keel kneep en dat zij geen lucht meer kreeg. Op
6 december 2023 hadden verdachte en [slachtoffer] ook ruzie. Hierover verklaart [slachtoffer] dat zij bij verdachte thuis waren en dat hij haar met zijn platte handen sloeg. Hij sloeg in haar gezicht, op haar armen en rug en in haar zij. Dit deed haar pijn en ze begon te schreeuwen en te huilen. Verdachte stopte zijn handen in haar mond en zette via de binnenzijde van haar wangen kracht naar de buitenzijde. Over de dag van de aanhouding (7 december 2023) verklaart [slachtoffer] dat zij samen met verdachte bij de Jumbo in de Assendorperstraat in Zwolle was, dat zij vervolgens naar de auto liepen en dat hij haar na het instappen direct met zijn platte hand in haar gezicht sloeg. Vervolgens sloeg verdachte haar nog een paar keer met de vlakke hand. [slachtoffer] is tijdens deze ruzie meerdere keren uit (en vervolgens weer in) de auto gestapt. Onder andere op de parkeerplaats bij [bedrijf] aan de [adres 2]. Hier heeft zij met haar moeder gebeld. Op een van de momenten waarop [slachtoffer] uit de auto wilde stappen, greep verdachte haar bij de haren en trok hij haar achteruit de auto weer in. [slachtoffer] begon toen te schreeuwen en probeerde los te komen. Verdachte duwde met zijn linkerhand tegen de keel van [slachtoffer], waardoor zij geen lucht kreeg.
Op het politiebureau worden op 7 december 2023 foto’s gemaakt van het letsel van [slachtoffer]. [6] Daarop zijn een blauwe plek bij het linker jukbeen, letsel aan de binnenkant van de bovenlip, letsel in de hals, diverse blauwe plekken op beide armen, letsel op de onderrug, een blauwe plek op de rechterheup en een wond in het gezicht zichtbaar. [7]
Op 29 augustus 2023 heeft een politieagent ook foto’s gemaakt van [slachtoffer]. [8] Dit was naar aanleiding van een melding over een ruzie waarbij [slachtoffer] en verdachte betrokken waren. De politieagent zag toen blauwe plekken op het rechterbeen en de rechterarm van [slachtoffer]. In een aanvullend verhoor verklaart [slachtoffer] met betrekking tot dit letsel dat de blauwe plekken op haar been zijn veroorzaakt door de eerste keer dat verdachte haar heeft geschopt en dat de blauwe plek op haar arm het gevolg was van hard vastpakken door verdachte. [9]
De moeder van [slachtoffer], [getuige 1] (hierna: ‘[getuige 1]’), verklaart op 7 december 2023 dat haar dochter haar ongeveer twee maanden geleden heeft verteld dat zij wordt mishandeld door verdachte. [10] Zij zag toen dat [slachtoffer] blauwe plekken op haar armen en benen had. Op 7 december 2023 belde [slachtoffer] haar rond 14.45 uur op. [slachtoffer] vertelde dat zij niet verder wilde met de relatie met verdachte, omdat zij het niet meer volhield. Om 15.25 uur werd [getuige 1] weer gebeld door [slachtoffer]. [getuige 1] hoorde geschreeuw en hoorde [slachtoffer] gillen. Op enig moment klonk het alsof de keel of mond van [slachtoffer] werd dichtgehouden, waardoor zij niet meer kon gillen. Verder hoorde [getuige 1] [slachtoffer] meermaals zeggen: ‘
Je doet mij alleen maar pijn ik wil hier weg’. Zij hoorde dat [slachtoffer] in nood was. Verder hoorde zij verdachte zeggen dat [slachtoffer] stil moest zijn, omdat ze hem anders zijn huis uit zouden gooien. [getuige 1] heeft toen tegen haar man gezegd dat hij 112 moest bellen.
[getuige 2] (hierna: ‘[getuige 2]’) verklaart op 8 december 2023 dat hij op 7 december 2023 rond 14.30 uur in zijn auto zat, die geparkeerd stond aan het begin van de [adres 1]. Hij zag een man en vrouw aan komen lopen, die tegen elkaar schreeuwden en zichtbaar ruzie met elkaar hadden. De man had een tattoo in zijn nek in de vorm van twee vleugels. Op enig moment zag hij dat de man de vrouw sloeg. Hij denkt dat dit met de platte hand gebeurde. De vrouw werd een keer op haar schouder geraakt en twee of drie keer tegen het hoofd. Dit waren klappen die de vrouw gevoeld moet hebben. [getuige 2] zag dat de vrouw huilend wegliep en zag vervolgens dat zij aan het bellen was. De vrouw liep verder de steeg in. Deze steeg komt uit op de parkeerplaats bij [bedrijf]. [11]
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij een tattoo van twee vleugels in zijn nek heeft. [12]
3.3.2
Overwegingen en oordeel
Hoewel verdachte ontkent [slachtoffer] te hebben mishandeld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Met betrekking tot [getuige 2] acht de rechtbank daarbij van belang dat niet is gebleken dat [getuige 2] verdachte of [slachtoffer] kent. [getuige 2] wordt daarom als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.
De door [slachtoffer] afgelegde verklaringen worden ook ondersteund door het op zowel
29 augustus 2023 als 7 december 2023 door de politie bij haar waargenomen en gefotografeerde letsel. Dit letsel past bij de geweldshandelingen zoals die door [slachtoffer] zijn omschreven. Daarnaast bieden de waarnemingen en foto’s steun voor de vaststelling dat verdachte [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode (van augustus tot en met 7 december 2023) meermaals heeft mishandeld.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] in de periode van augustus 2023 tot en met 7 december 2023 stelselmatig heeft mishandeld.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van augustus 2023 tot en met 7 december 2023 in Nederland,
[slachtoffer] stelselmatig heeft mishandeld door
- haar met kracht te slaan (met gebalde vuisten en/of met de vlakke hand) op/tegen het hoofd en het gezicht en het lichaam (armen, rug, zij) en
- haar met kracht tegen een muur te duwen en
- zijn handen met kracht in haar mond te stoppen waarbij hij, verdachte, de mond van [slachtoffer] aan de binnenkant verwondde en
- met kracht haar keel dicht te drukken/knijpen en dicht gedrukt te houden en
- met kracht aan haar haren te trekken en
- haar gezicht open te krabben en
- tegen haar lichaam te schoppen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
mishandeling, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een gevangenisstraf voor de duur van 67 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, die inhoudt dat hij voor de duur van vijf jaar geen contact mag opnemen met [slachtoffer]. Iedere overtreding van dit verbod moet naar het standpunt van de officier van justitie leiden tot een week hechtenis, met een maximum van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de duur van een eventuele gevangenisstraf moet worden beperkt tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan de stelselmatige mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Daarbij heeft hij haar met kracht geslagen, tegen een muur geduwd, geschopt, gekrabd en aan haar haren getrokken. Daarnaast heeft hij met kracht haar keel dichtgedrukt en geknepen en heeft hij zijn handen in haar mond gestopt. Door deze geweldshandelingen heeft [slachtoffer] forse blauwe plekken en verwondingen aan de binnenkant van haar mond opgelopen.
Met het geweld heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van [slachtoffer]. Over geweld in de huiselijke/relationele sfeer is bekend dat slachtoffers hiervan, naast de pijn door het lichamelijke letsel, geruime tijd mentale klachten kunnen ondervinden, in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid. Uit de door [slachtoffer] overgelegde slachtofferverklaring blijkt ook dat het handelen van verdachte een grote impact op haar heeft gehad. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Uit het strafdossier komt een beeld naar voren van een gewelddadige en ongelijkwaardige relatie, waarin veel controle over [slachtoffer] werd uitgeoefend en [slachtoffer] een beperkte keuzevrijheid had met betrekking tot de uitvoering van haar werkzaamheden als sekswerker. In ieder geval een van de ruzies tussen verdachte en [slachtoffer] waarbij door verdachte geweld is toegepast hield verband met de weigering van [slachtoffer] om een klant te ontvangen. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon van verdachte
Om een beeld te krijgen van de persoon van verdachte, heeft de rechtbank het strafblad van verdachte van 5 september 2025 doorgenomen. Daaruit volgt dat verdachte in het verleden meerdere keren is veroordeeld voor mishandeling. In 2019 is verdachte vanwege de mishandeling van zijn levensgezel veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren. Doordat hij deze taakstraf niet naar behoren heeft verricht, is in 2022 vijftig dagen vervangende hechtenis bevolen.
Daarnaast heeft de rechtbank de Pro Justitia-rapportage van 14 november 2024, waarin over verdachte is gerapporteerd door gezondheidszorgpsycholoog dr. R.W. Blaauw, en het advies van Reclassering Nederland (hierna: ‘de reclassering’) van 22 juli 2025 doorgenomen.
Uit de Pro Justitia-rapportage volgt dat verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming daarvan, met dien verstande dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het opvragen van informatie bij JustTact of informele referenten en dat hij tijdens de gesprekken met de rapporteur op een aantal onderwerpen niet dieper wilde ingaan/niet het achterste van zijn tong heeft laten zien. Hierdoor zijn mogelijk niet alle karaktertrekken aan de oppervlakte gekomen en is het onderzoek beperkt gebleven.
Volgens de rapporteur is sprake van een duidelijk patroon van problemen op diverse leefgebieden. Er is sprake van een strafblad met een diversiteit aan delicten, waarbij opvalt dat verdachte daarvoor beperkt de verantwoordelijkheid neemt en dat hij in het verleden niet altijd heeft meegewerkt aan de voorwaarden van een voorwaardelijke straf. Verdachte heeft de afgelopen jaren niet gewerkt, is in het verleden meerdere banen kwijtgeraakt, heeft schulden gehad, is meerdere keren een woning kwijtgeraakt en woont sinds 2018 via hulpinstellingen. Verder is bij verdachte sprake van instabiliteit in relaties met zijn familie en in intieme relaties. Dit persistente patroon van disfunctioneren op verschillende leefgebieden duidt volgens de rapporteur op de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis. Daarbij lijkt sprake te zijn van pathologische narcistische, paranoïde en antisociale kenmerken, maar dat is niet zeker door de beperktheid van het onderzoek. Daarom wordt een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis vastgesteld.
Doordat verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, kan niet betrouwbaar een relatie worden gelegd tussen de vastgestelde ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en het tenlastegelegde feit. Om dezelfde reden kan de rapporteur niet adviseren omtrent de mate van toerekenen, kan er geen volledige risicotaxatie worden verricht en is niet goed te bepalen wat dient te gebeuren om het eventuele recidiverisico te verminderen. Wel kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis vaak vraagt om een behandeling hiervan.
De rechtbank acht de conclusie van de deskundige inzichtelijk en gedegen onderbouwd. In de rapportage is helder gemotiveerd hoe de deskundige tot zijn conclusie is gekomen. De rechtbank neemt de conclusie daarom over en maakt die tot de hare. De rechtbank ziet in de rapportage geen aanleiding om het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Uit de reclasseringsrapportage volgt dat verdachte door de verdenking van de mishandeling van [slachtoffer] zijn begeleide woonvorm moest verlaten en inmiddels een woning heeft gevonden via de woningbouwvereniging. Er lijkt sprake van een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte met betrekking tot het stoppen van het gebruiken van cannabis, het afbetalen van zijn schulden en het volgen van rijlessen. Deze ontwikkelingen zijn nog onvoldoende stabiel en duurzaam. Daarnaast acht de reclassering van belang dat in de eindevaluatie van een eerdere forensische behandeling naar aanleiding van relationeel geweld door de toenmalige behandelaar is gesteld dat onzeker is of de behandeling voldoende effect heeft gehad en dat sprake blijft van een risico zolang sprake is van instabiliteit op de leefgebieden. Reclasseringsinterventies zijn geïndiceerd. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod op te leggen.
De strafoplegging
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de omstandigheden waaronder de mishandelingen plaatsvonden. Er was sprake van een relatie waarin [slachtoffer] slachtoffer werd van het dwingende, controlerende karakter van verdachte en zijn stelselmatige mishandelingen. Ook houdt de rechtbank rekening met de aard van de mishandelingen. [slachtoffer] werd niet alleen geschopt en geslagen, maar verdachte trok ook de binnenkant van haar mond kapot, drukte haar keel dicht en trok aan haar haren. Gelet op de aard en ernst van het gepleegde feit en de omstandigheid dat verdachte kennelijk niet heeft geleerd van eerdere veroordelingen, acht de rechtbank in tegenstelling tot de eis van de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag of spijt heeft betuigd richting [slachtoffer]. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
De rechtbank zal de gevangenisstraf voor een deel voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit begaat.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] verbinden.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om, naast de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, een contactverbod aan verdachte op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr.

7.De schade van de benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot de betaling van een totaalbedrag van € 4.805,09 ter vergoeding van haar materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:
- apotheekkosten € 76,38;
- eigen bijdragen voor de behandeling bij Psytrec € 345,82;
- eigen bijdrage voor de behandeling bij Dimence € 167,78;
- reiskosten € 715,11.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,- gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag voor de materiële schade slechts gedeeltelijk kan worden toegewezen, aangezien deze vordering voor het overige niet deugdelijk is onderbouwd. Het gevorderde bedrag ter vergoeding van de immateriële schade ad € 3.500,- is volgens de officier van justitie wel volledig toewijsbaar. De toe te wijzen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich voor wat betreft de materiële schade aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag te hoog is en fors moet worden gematigd.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en een deel van de door [slachtoffer] gestelde schade, om te kunnen aannemen dat [slachtoffer] door dit handelen rechtstreeks schade is toegebracht.
De materiële schade
De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde materiële schade het volgende.
[slachtoffer] heeft een declaratieoverzicht van haar zorgverzekeraar overgelegd. Daaruit volgt dat de volgende bedragen voor haar eigen rekening zijn gekomen:
  • een bedrag ad € 345,82 voor de behandeling bij Psytrec
  • een bedrag ad (78,73 + 89,05) € 167,78 voor de behandeling bij Dimence
  • een bedrag ad (39,18 + 14,90 + 4,59) € 58,67 voor apotheekkosten
Bij elkaar opgeteld gaat het om een bedrag van € 572,27 aan medische kosten. Dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk, zodat het voor toewijzing in aanmerking komt.
Het resterende deel van de gevorderde medische kosten (ad € 17,71) is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van [slachtoffer] om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal haar die gelegenheid dan ook niet bieden. De rechtbank verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering en bepaalt dat de zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[slachtoffer] heeft ook een overzicht overgelegd van de door haar gereden kilometers. Daaruit volgt dat een deel van de door haar gevorderde reiskosten verband houdt met ritten naar de behandeladressen. Deze kosten zijn gemaakt om de medische behandelingen tot herstel van het door het strafbare feit opgelopen letsel te ondergaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze kosten, gelet op artikel 6:96 lid 2 onder a BW, vergoedbare vermogensschade opleveren. De rechtbank wijst in dit verband een bedrag van (1.015 km x € 0.33) € 334,95 toe.
Voor het overige houden de gevorderde reiskosten verband met ritten van de Blijf-van-mijn lijf-adressen waar [slachtoffer] na 7 december 2025 verbleef naar haar ouders in [plaats] en met het bezoeken van verdachte. Met betrekking tot de ritten van de Blijf-van-mijn-lijf-adressen is daarbij door [slachtoffer] naar voren gebracht dat zij woonachtig was in [plaats] en deze kosten zonder het handelen van verdachte niet had hoeven maken. Zij is daarbij niet ingegaan op de omstandigheid dat zij gedurende de relatie met verdachte in eerste instantie onafhankelijk van verdachte over een huurwoning in [plaats] beschikte. De reiskosten (ad € 40,59) die worden gevorderd in verband met bezoeken aan verdachte zijn niet onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat zij niet kan vaststellen of sprake is van het vereiste causaal verband tussen de genoemde reiskosten en het handelen van verdachte en, in het verlengde daarvan, of deze kosten redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend. Het in de gelegenheid stellen van [slachtoffer] om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal haar die gelegenheid daarom ook ten aanzien van deze schadepost niet bieden. De rechtbank verklaart [slachtoffer] in plaats daarvan niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering en bepaalt dat zij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde vergoeding voor materiële schade tot een bedrag van € 907,22 toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 20 november 2025.
De immateriële schade
Immateriële schade komt op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder andere voor vergoeding in aanmerking indien sprake is van lichamelijk letsel en/of aantasting in de persoon op andere wijze. [slachtoffer] heeft als gevolg van de mishandelingen lichamelijk letsel opgelopen.
De rechtbank stelt, rekening houdend met de beschreven impact van het bewezenverklaarde feit en de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend, de schade van [slachtoffer] naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.500,-. Zij zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 7 december 2023.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 44 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 63 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
mishandeling, meermalen gepleegd.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
2. zich ambulant laat behandelen bij Transfore of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels en aanwijzingen die door of namens de leiding van Transfore of de soortgelijke instelling zullen worden gegeven;
3. op geen enkele wijze direct of indirect contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer], geboren op 4 juni 1998;
- draagt de reclassering op om
toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 3.407,22(bestaande uit een bedrag van € 907,22 voor materiële schade en een bedrag van € 2.500 voor immateriële schade);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van
€ 3.407,22. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2023. De materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit
tot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van
€ 3.407,22ten behoeve van de benadeelde
.De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2023. De materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025. De rechtbank bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
44 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van haar vordering
niet-ontvankelijkis in de vordering, te weten een deel van € 397,82, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Postma, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en mr. E.A.N. Sjerps griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
mr. E.A.N. Sjerps is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met registratienummer PL0600-2023564293. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 7 december 2023, pagina 41.
3.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 7 december 2023, pagina’s 41 en 42.
4.Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 7 december 2023, pagina’s 29 tot en met 34.
5.Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 7 december 2023, pagina’s 29 tot en met 34.
6.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 7 december 2023 (pagina 71), inclusief het als bijlage bij dit proces-verbaal behorende fotoblad (pagina’s 73 tot en met 88).
7.Foto’s behorend bij het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 7 december 2023 (foto’s 1 tot en met 16) waargenomen door de rechtbank en besproken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
8.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 12 december 2023 (de laatste alinea van pagina 112 en de eerste alinea van pagina 113), inclusief het als bijlage bij dit proces-verbaal behorende fotoblad (pagina 119).
9.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 4] van 13 december 2023, pagina 39.
10.Het proces-verbaal van verhoor getuige van verbalisant [verbalisant 7] van 7 december 2023, pagina’s 51 en 52.
11.Het proces-verbaal van verhoor getuige van verbalisant [verbalisant 6], van 8 december 2023, pagina’s 68 en 69.
12.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2025.