Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten van verzoeker en de raadsman en de officier van justitie
3.De ontvankelijkheid
4.De beoordeling
Op 5 juni en op 27 juni 2025 was de zitting. Verzoeker is op 9 mei 2022 aangehouden en op 12 mei 2022 in vrijheid gesteld en niet voorgeleid aan de rechter-commissaris. De raadkamer is van oordeel dat met de voorbereiding van de verdediging van verzoeker met het oog op de getuigenverhoren, de aanhouding en inverzekeringstelling en de behandeling op zitting een geschatte tijdsbesteding van 40 uur voor bestudering van het dossier - weliswaar nog ruim bemeten - maar te billijken is, in het bijzonder ook vanwege de verdenkingvan deelname aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, te weten
strafbaar gesteld in de Opiumwet.
aanzienlijkte matigen. Aanvullend overweegt de raadkamer nog als volgt.
in totaal € 73.270,94zal worden toegewezen, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding van € 680,=-.
5.De beslissing
- kent op grond van artikel 530 Sv Pro aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 73.950,94;
- beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking schadevergoeding van
- wijst af het meer of anders verzochte.