ECLI:NL:RBOVE:2025:7262

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
08-045221-22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 530 Sv in strafzaak met parketnummer 08-045221-22

In deze beschikking van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, is op 10 december 2025 een verzoek behandeld van de verzoeker, bijgestaan door mr. V.P.J. Tuma, om een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het verzoek betreft een vergoeding voor de kosten van de raadsman in de strafzaak met parketnummer 08-045221-22, tot een bedrag van € 116.739,69, en een vergoeding van € 680,00 voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift. De raadkamer heeft vastgesteld dat de strafzaak tegen verzoeker op 26 juli 2025 is geëindigd met een vrijspraak, uitgesproken door de meervoudige kamer op 11 juli 2025. De raadkamer heeft de declaratie van de raadsman beoordeeld en geconcludeerd dat de opgevoerde uren voor dossierstudie, namelijk 173,75 uur, bovenmatig zijn. Na beoordeling van de omstandigheden heeft de raadkamer besloten om het aantal te vergoeden uren aan rechtsbijstand te matigen tot 40 uur, wat resulteert in een vergoeding van € 73.950,94, inclusief de forfaitaire vergoeding van € 680,00. De beschikking is openbaar uitgesproken en de griffier is opgedragen het bedrag over te maken aan de advocaat van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer : 08-045221-22
raadkamernummer : 25-025621
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [woonplaats],
hierna te noemen: de verzoeker,
bijgestaan door mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Arnhem.

1.Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift is gedateerd 8 oktober 2025. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan door mr. V.P.J. Tuma.
Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een vergoeding ten laste van de Staat toe te kennen voor de kosten van de raadsman in de strafzaak met het hiervoor genoemde parketnummer tot een bedrag van € 116.739,69. Daarnaast strekt het verzoek tot het op grond van artikel 530 Sv toekennen van een vergoeding van € 680,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift.
Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 10 december 2025. Bij de behandeling zijn de officier van justitie, mr. D. van Ieperen en de raadsman gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.
De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken uit het dossier van de strafzaak tegen verzoeker en een schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 oktober 2025.

2.De standpunten van verzoeker en de raadsman en de officier van justitie

Standpunten van de verzoeker en raadsman
De raadsman heeft gepersisteerd bij de inhoud van het verzoekschrift.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting bij het schriftelijke standpunt gepersisteerd.

3.De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is.

4.De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd op 26 juli 2025 met het onherroepelijk worden van de vrijspraak, uitgesproken door de meervoudige kamer op 11 juli 2025. De strafzaak is dus geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr.
Het verzoek op grond van artikel 530 Sv
Ingevolge artikel 530 Sv kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 530 Sv stelt de raadkamer voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door de raadkamer wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van raadslieden en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat de raadkamer geenszins gebonden is aan de door de raadslieden gedeclareerde tijd of het door hen gehanteerde uurtarief. Het is verder geheel en al aan een rechtzoekende een raadsman of raadsvrouw te kiezen aan wie hij de verdediging van zijn belangen toevertrouwt. In dat verband kan van een rechtzoekende niet worden verlangd zijn advocaat te selecteren op een door de rechter of het Openbaar Ministerie toegekend maximaal in rekening te brengen uurtarief in verband met de aard, omvang en complexiteit van de strafzaak.
Overigens merkt de raadkamer op dat de consequentie van de keuze van verzoeker om zich voor eigen rekening te laten bijstaan door een gekozen raadsman, in voorkomende gevallen kan zijn dat het voor zijn rekening en risico komt wanneer een door verzoeker op basis van art. 530 Sv ingediend verzoekschrift tot vergoeding van de kosten van de raadsman door de raadkamer op gronden van billijkheid al dan niet geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen.
Overwegingen
Wat betreft het aantal en de hoogte van de door de verdediging aan verzoeker in rekening gebrachte uren voor rechtsbijstand overweegt de raadkamer het volgende.
De raadkamer stelt voorop dat van raadslieden mag worden verwacht dat de urenspecificaties en declaraties in strafzaken zodanig worden ingericht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 530 Sv, een helder en inzichtelijk beeld geven van de verrichte werkzaamheden.
Verzoeker heeft verzocht een vergoeding toe te kennen van € 116.739,69. Verzoeker heeft deze vergoeding onderbouwd door middel van specificaties die inzicht bieden in de verrichte werkzaamheden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding kan worden toegewezen.
De raadkamer is van oordeel dat na kennisneming en bestudering van het integrale dossier wel heel veel tijd genomen is voor de bestudering van het dossier, namelijk 173,75 uur aan dossierstudie. De raadkamer heeft hierbij in aanmerking genomen de omvang van het dossier in relatie tot de aan verzoeker tenlastegelegde feiten. Het betreft weliswaar een omvangrijk dossier met meerdere verdachten, maar verzoeker werd slechts verdacht van het hebben van een tweetal hennepkwekerijen, diefstal van stroom en deelname aan een crimineel samenwerkingsverband. Anders dan medeverdachten heeft verzoeker niet in voorlopige hechtenis gezeten.
Vooropgesteld wordt dat de raadkamer er zonder meer vanuit gaat dat de raadsman zijn cliënt niet meer uren in rekening heeft gebracht dan hij daadwerkelijk aan de zaak heeft besteed.
De vraag is evenwel of deze kosten ook noodzakelijk zijn gemaakt in het belang van de verdediging van verzoeker in aanmerking genomen de aan verzoeker tenlastegelegde feiten. Anders dan de officier van justitie is de raadkamer van oordeel dat door de raadsman wel zeer veel tijd is genomen om het dossier te bestuderen. De raadkamer heeft voor de berekening van een door de raadkamer redelijk geachte tijdsbesteding voor bestudering van het dossier aansluiting gezocht bij de momenten waarop getuigen in de zaak zijn gehoord en verder het moment van aanhouding en inverzekeringstelling van verzoeker en de zittingen van de meervoudige strafkamer ter behandeling van de zaak.
Op 15 maart 2024 zijn zeven getuigen gehoord, op 20 maart 2024 één getuige net als op 21 maart 2024, op 4 april 2024 zijn twee getuigen gehoord net als op 15 mei 2024, op 27 juni 2024 en 5 juli 2024 is telkens één getuige gehoord.
Op 5 juni en op 27 juni 2025 was de zitting. Verzoeker is op 9 mei 2022 aangehouden en op 12 mei 2022 in vrijheid gesteld en niet voorgeleid aan de rechter-commissaris. De raadkamer is van oordeel dat met de voorbereiding van de verdediging van verzoeker met het oog op de getuigenverhoren, de aanhouding en inverzekeringstelling en de behandeling op zitting een geschatte tijdsbesteding van 40 uur voor bestudering van het dossier - weliswaar nog ruim bemeten - maar te billijken is, in het bijzonder ook vanwege de verdenkingvan deelname aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, te weten
strafbaar gesteld in de Opiumwet.
Conclusie
De raadkamer acht met inachtneming van het vorenstaande en alle omstandigheden in aanmerking genomen, dan ook gronden van billijkheid aanwezig om de gevraagde vergoeding
aanzienlijkte matigen. Aanvullend overweegt de raadkamer nog als volgt.
Zoals hiervoor is opgemerkt, is de declaratie van een raadsman niet meer dan een uitgangspunt dat door de raadkamer wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van raadslieden en zo ja, tot welk bedrag. De rechter heeft de ruimte daarvan af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Die gronden van billijkheid kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in de mate waarin de verzoeker aan zichzelf te wijten heeft dat hij de desbetreffende kosten heeft gemaakt, maar ook kunnen zijn gelegen in de bovenmatigheid van de declaratie. Het moet in dat laatste geval wel gaan om bovenmatigheid die in meer of mindere mate in het oog springt (vgl. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2466). Daarvan is naar het oordeel van de raadkamer in het onderhavige verzoekschrift sprake.
Zoals hiervoor overwogen acht de raadkamer 173,75 uur dossierstudie in onderhavige zaak volstrekt bovenmatig. Om die reden zal de raadkamer het aantal te vergoeden uren aan rechtsbijstand matigen en het aantal uren dat wordt toegekend voor dossierstudie vaststellen op 40 uur.
Dit maakt dat voor toewijzing in aanmerking komt: 40 uren x € 325,00 (exclusief BTW) = € 13.000.00,- aan dossierstudie.
€ 116.739,69 minus € 56.468,75 (het verzochte bedrag aan dossierstudie op basis van 173,75 uur) = € 60.270,94. Dit bedrag dient te worden verhoogd met de toegekende uren aan dossierstudie van 40 uur, te weten € 13.000.00,- zodat
in totaal € 73.270,94zal worden toegewezen, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding van € 680,=-.
De raadkamer kent daarnaast een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift en het bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift, volgens de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld, zijnde een bedrag van € 680,00. Dit bedrag wordt eenmalig toegekend als vergoeding voor alle drie verzoekschriften van verzoeker op grond van art. 530 en 533 Sv.

5.De beslissing

De raadkamer:
  • kent op grond van artikel 530 Sv aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 73.950,94;
  • beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking schadevergoeding van
  • wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van K.M. Barin, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.