De beoordeling van het beroep
11. De rechtbank beoordeelt of de raad het Stadstheater terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van het Stadstheater. Allereerst komt evenwel het verweer van de raad aan bod, ten aanzien van het procesbelang van het Stadstheater.
12. De rechtbank moet eerst vaststellen of het Stadstheater belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep.
13. Volgens de raad heeft het Stadstheater geen procesbelang, omdat het college met besluiten van 4 maart 2025 inhoudelijk op de subsidieaanvragen van het Stadstheater heeft beslist. Een vernietiging van het raadbesluit zou het Stadstheater niet in een andere positie brengen omdat het college op grond van zelfstandige afwijzingsgronden de aanvragen heeft afgewezen. Het Stadstheater heeft daarom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep, aldus de raad.
14. Het Stadstheater weerspreekt dat en heeft ter zitting toegelicht dat zij als gevolg van het raadsbesluit de exploitatie van het theater noodgedwongen heeft moeten beëindigen. Doordat bekend werd dat het Stadstheater geen enkele financiering meer zou ontvangen, kon zij geen nieuw programma meer rondkrijgen. De afwijzing van de subsidieaanvragen door het college is mede gegrond op deze beëindiging. Dat maakt het voor het Stadstheater van belang dat de rechtmatigheid van het raadsbesluit wordt beoordeeld, aldus het Stadstheater.
15. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit.Daarbij geldt dat het doel dat de indiener van het beroep voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden: de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, dan is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de eventuele principiële betekenis daarvan.
16. Alleen al in de vraag of het Stadstheater een civiele vordering heeft jegens de raad vanwege een onrechtmatig raadsbesluit ziet de rechtbank aanleiding om procesbelang bij het Stadstheater aan te nemen. Daarbij is van belang dat voor de vraag of het Stadstheater tegen de raad een vordering kan instellen voor de schade die is geleden als gevolg van een onbevoegd en daarom onrechtmatig genomen besluit op haar aanvragen, een inhoudelijke beoordeling van het raadsbesluit nodig is. Die beoordeling ligt aan de bestuursrechter voor. De civiele rechter gaat uit van het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van een besluit.De rechtbank overweegt dat het Stadstheater daarom belang heeft bij de beoordeling van haar beroep.
Is het raadsbesluit een besluit zoals is bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?
17. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een ‘besluit’ een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake wanneer de handeling gericht is op rechtsgevolg. Dat betekent kort gezegd dat een partij daardoor in een andere juridische positie is geraakt; ofwel dat diens rechten en plichten wijzigen.
18. De raad stelt zich op het standpunt dat het raadsbesluit niet op rechtsgevolg is gericht en dat ook niet kan zijn omdat de raad niet bevoegd is om een besluit te nemen op de subsidieaanvragen van het Stadstheater.
19. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van de raad niet doorslaggevend is voor de vraag of het raadsbesluit gericht is op rechtsgevolg. Gewezen kan worden op de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW1297) waarin de Afdeling overweegt dat een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan wordt geacht op publiekrechtelijk rechtsgevolg te zijn gericht indien het bestuursorgaan, hoewel niet bevoegd het rechtsgevolg tot stand te brengen, dit wel heeft beoogd in het kader van de uitoefening van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid. 20. De raad betoogt dat hij niet pretendeerde bevoegd te zijn om op de subsidieaanvragen te beslissen omdat het evident is dat hij niet bevoegd is. De rechtbank kan dat standpunt evenwel niet rijmen met de gang van zaken. De rechtbank stelt namelijk het volgende vast. Voorafgaand aan de raadsvergadering van 27 februari 2024 heeft het college, vanwege de kaderstellende rol en het budgetrecht van de raad, met het collegevoorstel van 30 januari 2024 drie scenario’s aan de raad voorgelegd. Ieder scenario voorzag in een voorstel om de subsidierelatie met het Stadstheater vorm te geven. In ieder scenario is als uitgangspunt genomen dat de raad financiële middelen beschikbaar zou stellen om subsidie aan het Stadstheater te verstrekken. Over de vorm en in welke mate de verstrekking zou plaatsvinden, verschillen de scenario’s. In de raadsvergadering heeft de raad besloten om de drie scenario’s af te wijzen en een vierde – zelfgekozen – scenario te kiezen. Dit vierde scenario voorzag in een volledige afwijzing van de door Stadstheater aangevraagde subsidies en in het oprichten van een cultuurfonds dat kan worden aangewend voor een nieuwe, toekomstige en nader te bepalen theaterfunctie in de gemeente Almelo. Concreet staat in het besluit dat de raad kiest voor het volledig afwijzen van de verzoeken van het Stadstheater.
21. De rechtbank wijst – net als het Stadstheater – op de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022waarin de Afdeling oordeelde dat een beslissing van een gemeenteraad over het beschikbaar stellen van budget op de gemeentebegroting voor bepaalde posten op rechtsgevolg kan zijn gericht als bij die beslissing in een concreet geval over de verstrekking van subsidie wordt besloten. Evenals in die uitspaak, heeft de raad ten opzichte van het Stadstheater beslist over haar concrete subsidieaanvragen. Door voor het vierde scenario te kiezen tot afwijzing van de verschillende subsidieverzoeken en geen gelden beschikbaar te stellen heeft de raad concreet beoogd dat geen subsidie meer aan het Stadstheater wordt verstrekt. Ruimte voor een nadere besluitvorming door het college, is in het raadsbesluit niet gelaten. De vermelding in de brief van het college dat ‘de benodigde (vervolg)besluiten worden genomen’, had feitelijk geen betekenis meer.
22. De raad heeft nog betoogd dat bij de interpretatie van het raadsbesluit, het collegevoorstel en het verslag van de raadsvergadering betrokken moeten worden, omdat daaruit volgt dat evident is dat de raad niet bevoegd is en dat ook niet pretendeerde. De rechtbank volgt dit betoog niet. Ten eerste omdat het raadsbesluit juist niet op het collegevoorstel aansluit, maar de raad dat voorstel naast zich neerlegt. Daarnaast kan de rechtbank niet uit de toelichting op het raadsbesluit afleiden dat in weerwil van de tekst van het raadsbesluit geen rechtsgevolgen zouden zijn beoogd. Het transcript van de raadsvergadering is niet overgelegd en uit de citaten die het Stadstheater aanhaalt volgt niet dat tijdens de raadsvergadering is besproken dat geen rechtsgevolgen zijn beoogd.
23. De rechtbank volgt daarom het Stadstheater in haar betoog dat het raadsbesluit op rechtsgevolg is gericht omdat de raad met het raadsbesluit concreet over de verstrekking van de subsidieaanvragen van het Stadstheater heeft besloten. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de raad op de aanvragen van het Stadstheater heeft beslist en dat het raadsbesluit op rechtsgevolg is gericht. Het raadsbesluit moet daarom aangemerkt worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het bezwaar van het Stadstheater ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De beroepsgrond slaagt.
De beslissing op bezwaar
24. Tussen partijen is niet in geschil dat de raad niet bevoegd is om op de subsidieaanvragen van het Stadstheater te beslissen. Uit artikel 4 van de Algemene subsidieverordening gemeente Almelo 2013 volgt dat het college bevoegd is te besluiten over het verstrekken van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en onder de voorwaarden dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
25. Nu vaststaat dat de raad niet bevoegd is om op de aanvragen van het Stadstheater te beslissen, en evident is dat het bezwaar van het Stadstheater over de onbevoegdheid van de raad gegrond is, zal de rechtbank het raadsbesluit herroepen. Dit heeft tot gevolg dat de raad nooit op het collegevoorstel heeft beslist. Tijdens de behandeling op zitting is besproken of dit betekent dat er nog een nieuw raadsbesluit zal volgen. Partijen hebben toegelicht dat het aan de raad en/of het college is om aan te geven of nog een nieuw besluit op het raadsvoorstel gewenst wordt.