ECLI:NL:RBOVE:2025:7317

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
C/08/337238 / JE RK 25-1428
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:259 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BWArt. 282 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen connexiteit tussen verzoeken moeder en machtiging uithuisplaatsing, wijziging gecertificeerde instelling afgewezen

De rechtbank Overijssel behandelde op 11 december 2025 een zaak waarin de moeder zelfstandige verzoeken indiende met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van haar minderjarige kinderen, vervangende toestemming voor schoolinschrijving, terugverhuizing van de vader en wijziging van de gecertificeerde instelling die belast is met de ondertoezichtstelling.

De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken over hoofdverblijfplaats, schoolinschrijving en terugverhuizing omdat deze verzoeken geen connexiteit vertoonden met het oorspronkelijke verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing. De rechtbank oordeelde dat deze verzoeken betrekking hadden op het gezamenlijk gezag en tegen de vader waren gericht, terwijl het oorspronkelijke verzoek van de GI tegen de ouders was gericht.

Het verzoek tot wijziging van de gecertificeerde instelling werd wel ontvankelijk verklaard, maar afgewezen omdat het niet in het belang van de kinderen was om de huidige gecertificeerde instelling te vervangen. De rechtbank motiveerde dat de huidige instelling al lang betrokken is, de situatie complex is en verandering onrust voor de kinderen zou veroorzaken.

De rechtbank benadrukte de moeilijke gezinssituatie en het loyaliteitsconflict waarin de kinderen verkeren en sprak de wens uit dat de ouders de focus op herstel van het contact met de kinderen leggen in plaats van op juridische procedures.

Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar zelfstandige verzoeken over hoofdverblijfplaats, schoolinschrijving en terugverhuizing, en het verzoek tot wijziging van de gecertificeerde instelling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaakgegevens: C/08/337238 / JE RK 25-1428 & C/08/337609 / JE RK 25-1470
beschikking van 11 december 2025
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen: de JbOv,
betreffende
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. W.N. Sardjoe,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.L.A. Schutte.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Bij beschikking van 3 september 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 20 december 2025. De zelfstandige verzoeken van de moeder zijn aangehouden.
1.2.
De kinderrechter heeft daarna kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het verweerschrift van JbOv, met bijlagen, binnengekomen op 19 november 2025;
  • de brief van mr. Sardjoe, met bijlagen, binnengekomen op 20 november 2025;
  • de brief van mr. Schutte, binnengekomen op 21 november 2025.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 18 november 2025 met de kinderrechter gesproken.
1.4.
De mondelinge behandeling heeft op 24 november 2025 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- [naam], namens JbOv.

2.De zelfstandige verzoeken van de moeder

2.1.
De moeder verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek:
1. primair: de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder te bepalen;
- subsidiair: indien de kinderen tijdelijk elders geplaatst moeten worden in een gezinshuis of
neutraal pleeggezin, dat dit zo kort mogelijk zal zijn in de regio [woonplaats 1] en te bepalen dat zij na
een korte periode, gefaseerd terug worden geplaatst onder de regie van JbOv, althans een
beslissing te nemen die de rechtbank redelijk acht;
2. ex artikel 1:259 BW Pro, te bepalen dat de huidige gecertificeerde instelling (Jeugdbescherming Overijssel) binnen twee weken na datum beschikking zal worden vervangen door de gecertificeerde instelling locatie Gelderland (in verband met het vertrekpunt [woonplaats 1]), althans een beslissing te nemen die de rechtbank redelijk acht;
3. vervangende toestemming te verlenen dat de moeder de minderjarigen kan inschrijven
op passende scholen in [woonplaats 1], welke scholen dat zullen worden zal in samenspraak geschieden
met de kinderen op grond van haalbaarheid en beschikbaarheid (als de beslissing [woonplaats 1]
eenmaal gevallen is eventueel zelfs in samenspraak met vader, moeder en de kinderen),
althans een beslissing te nemen welke de rechtbank redelijk acht;
4. te bepalen dat de man (op grond van het ouderschapsplan, op grond van het gezamenlijk
gezag én op grond van de beschikking hof Arnhem-Leeuwarden), met ingang van 1 oktober
2025 dient terug te verhuizen naar [woonplaats 1] op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 50.000,- per dag vanaf 1 oktober 2025 nu hij niets meer te zoeken heeft in [plaats] en hij niet permanent in [woonplaats 2] kan verblijven bij zijn moeder, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank redelijk acht;
5. bij wijze van voorlopig verzoek te bepalen dat op grond van artikel 1:265g lid 2 BW, er
tussen moeder en de minderjarigen een 8-tal gesprekken zullen komen (of zoveel meer
gesprekken als de deskundige nodig acht) bij een (gecertificeerde) orthopedagoog in de regio
[woonplaats 1], althans een hulpverleningsinstantie in de regio [woonplaats 1] welke de rechtbank passend acht,
en tevens de vervangende toestemming hiervoor uit te spreken, en te bepalen dat de vader
hieraan dient mee te werken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per
keer dat hij niet meewerkt, althans een beslissing te nemen welke de rechtbank redelijk acht.
2.2.
De moeder heeft haar verzoek onder 5 tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.

3.Het standpunt van de vader

3.1.
De vader stelt zich primair op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar zelfstandige verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming tot inschrijving op een school en het verzoek tot terugverhuizing op straffe van een dwangsom. Volgens de vader is er geen sprake van connexiteit in de zin van artikel 282 lid 4 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) met het oorspronkelijke verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van de GI. Subsidiair stelt de vader zich op het standpunt dat de zelfstandige verzoeken van de moeder moeten worden afgewezen. In eerste aanleg en door het hof is namelijk al beslist over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de terugverhuizing. Met betrekking tot de wijziging van de gecertificeerde instelling stelt de vader zich op het standpunt dat de moeder geen belang heeft bij dit verzoek. Als de kinderen terugverhuizen naar de regio [woonplaats 1], dan zal JbOv vanzelfsprekend een overdracht doen naar een gecertificeerde instelling in die regio.

4.Het standpunt van JbOv

4.1.
JbOv stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar zelfstandige verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming tot inschrijving op een school en het verzoek tot terugverhuizing op straffe van een dwangsom. Het zelfstandige verzoek van de moeder met betrekking tot wijziging van de gecertificeerde instelling moet volgens JbOv worden afgewezen.

5.De verdere beoordeling

Hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming school en terugverhuizing (dwangsom)
5.1.
De kinderrechter zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar zelfstandige verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming school en de terugverhuizing (dwangsom) en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat er geen connexiteit bestaat tussen het oorspronkelijk verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van JbOv en de zelfstandige verzoeken van de moeder met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming tot inschrijving op een school en het verzoek tot terugverhuizing van de vader op straffe van een dwangsom.
5.3.
Op grond van artikel 282 lid 4 Rv Pro mag een verweerschrift een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. Het oorspronkelijke verzoek van de JbOv heeft betrekking op de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek), terwijl de zelfstandige verzoeken van de moeder betrekking hebben op de uitoefening van het gezamenlijk gezag (1:253a van het Burgerlijk Wetboek). Het verzoek van de JbOv richt zich tegen de ouders, terwijl de zelfstandige verzoeken van de moeder zich richten tegen de vader. De kinderrechter is van oordeel dat deze zelfstandige verzoeken van de moeder daarom niet thuishoren in deze procedure.
5.4.
De door mr. Sardjoe voorgedragen jurisprudentie leidt niet tot een andere conclusie.
De kinderrechter ziet geen relevant verband tussen de door mr. Sardjoe besproken conclusie en de onderhavige zaak. [1] In de conclusie gaat de AG inhoudelijk in op het verzoek tot (wijziging van) de hoofdverblijfplaats en de betekenis van de eerdere afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing. De machtiging tot uithuisplaatsing was in die casus al verleend (in een andere procedure), waarna vervolgens wijziging van de hoofdverblijfplaats werd verzocht. Het procedureel aspect met betrekking tot de connexiteit wordt niet besproken door de AG. De uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2024 is naar het oordeel van de kinderrechter geen vergelijkbare situatie, omdat het in die uitspraak gaat over twee apart ingediende verzoeken en dus twee procedures die vanwege hetzelfde onderwerp tegelijk worden behandeld. [2]
Wijziging van de gecertificeerde instelling
5.5.
De kinderrechter verklaart de moeder ontvankelijk in haar zelfstandige verzoek met betrekking tot wijziging van de gecertificeerde instelling. De kinderrechter is van oordeel dat er voldoende samenhang is tussen het oorspronkelijke verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van JbOv en het zelfstandige verzoek van de moeder tot wijziging van de gecertificeerde instelling.
5.6.
De kinderrechter zal het verzoek van de moeder afwijzen en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat het niet in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat JbOv wordt vervangen door een andere, in Gelderland gevestigde, gecertificeerde instelling. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op dit moment in [verblijfsplaats] met een machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de beschikking van
7 november 2025 (en de herstelbeschikking van 17 juni 2025) heeft bepaald dat de vader met de kinderen moet terugverhuizen naar een woning in de omgeving van [woonplaats 1], is de tenuitvoerlegging van de beschikkingen geschorst door het vonnis van de rechtbank Overijssel van 31 juli 2025. Dit vonnis is bekrachtigd door het arrest van het gerechtshof van 18 november 2025. Zolang er in cassatie nog niet is beslist en de kinderen in [verblijfsplaats] verblijven, is JbOv naar het oordeel van de kinderrechter de aangewezen gecertificeerde instelling om uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling. In deze beslissing heeft de kinderrechter meegewogen dat JbOv al geruime tijd betrokken is bij de kinderen en de ouders. De complexe gezinssituatie en de vele juridische procedures die zijn gevoerd en nog gaande zijn over de kinderen, maakt naar het oordeel van de kinderrechter dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om op dit moment een andere gecertificeerde instelling aan te wijzen. De onduidelijkheid over de uitkomst van de juridische procedures leidt tot onrust bij de kinderen. Wijziging van de gecertificeerde instelling brengt nog meer onrust met zich mee voor de kinderen. JbOv ondersteunt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in deze situatie waarin het loyaliteitsconflict van de kinderen zich niet alleen richt op de ouders, maar ook op de keuze van de kinderen om op een groep te wonen in plaats van bij één van de ouders en de (eigen) keuze over waar zij moeten gaan wonen: [verblijfsplaats] of [woonplaats 1]. Keuzes die kinderen op deze leeftijd volgens de kinderrechter nog niet zouden hoeven te maken. Als [minderjarige 1] wordt toegelaten op zijn vorige school in [woonplaats 1], is zijn wens om op een groep in [woonplaats 1] te wonen. Als dit niet lukt, is zijn wens om op de groep in [verblijfsplaats] te blijven wonen. [minderjarige 2] is er nog niet over uit. Voor haar weegt mee welke beslissing [minderjarige 1] maakt over zijn woonplek. Daarnaast staat de betrokkenheid van JbOv niet in de weg aan het voeren van regie over contact tussen de moeder en de kinderen in [woonplaats 1].
5.8.
De kinderrechter komt daarmee tot de conclusie dat JbOv niet vervangen zal worden door een gecertificeerde instelling in Gelderland.
Tot slot
5.9.
De kinderrechter merkt tot slot op dat zij bewondering heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over hoe zij zich zo goed staande weten te houden in deze situatie waarin de ouders de (procedurele) strijd met elkaar blijven aangaan. De kinderen hebben zichtbaar last van de strijd tussen de ouders en de onduidelijkheid die de ouders geven aan de kinderen door te blijven procederen. De moeder en de kinderen hebben, na een lange periode, weer contact met elkaar. Het zou goed zijn als de moeder (maar ook de vader) de focus en alle aandacht legt op het verdere herstel van het contact met de kinderen in plaats van op de juridische procedures. Daar waar de vader en de kinderen goed contact met elkaar hadden, verloopt dit nu moeizaam. Dit is volgens de kinderrechter tekenend voor het loyaliteitsconflict waarin de kinderen zich begeven. De kinderrechter gunt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust en stabiliteit in hun leven en hoopt dat zij dit snel zullen krijgen.
De beslissing
De kinderrechter:
In C/08/337238 / JE RK 25-1428 & C/08/337609 / JE RK 25-1470:
5.10.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar zelfstandige verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming school en terugverhuizing (dwangsom);
5.11.
wijst af het verzoek van de moeder met betrekking tot wijziging van de gecertificeerde instelling.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Mensink, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden

Voetnoten

1.Parket bij de Hoge Raad 19 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1086 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2021:1086).
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8895 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:8895).