ECLI:NL:RBOVE:2025:7318

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
08-019855-25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag door stiefzoon met mes

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 48-jarige man, die zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. De verdachte heeft op 19 januari 2025 in Holten zijn stiefvader, [slachtoffer], meerdere keren met een mes in de buik en rug gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, maar niet met voorbedachten rade handelde. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, TBS met dwangverpleging en een schadevergoeding van € 12.948,44 aan de benadeelde partij. De zaak kwam aan het licht na een melding van de moeder van de verdachte, die aangaf dat haar man door haar zoon was gestoken. De verdachte heeft tijdens het verhoor bekend en verklaard dat hij zijn stiefvader meerdere keren met een keukenmes heeft gestoken. De rechtbank heeft de verdediging van de verdachte, die zich beriep op noodweer, verworpen, omdat er geen sprake meer was van een noodweersituatie op het moment dat de verdachte het mes pakte. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de psychische toestand van de verdachte meegewogen in de strafoplegging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-019855-25 (P)
Datum vonnis: 15 december 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
1 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C. Verrillo, advocaat in Denekamp, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij, de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en zijn advocaat mr. A. Bouwhuis is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op de terechtzitting van 6 mei 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) heeft geprobeerd, al dan niet met voorbedachte raad, [slachtoffer] te doden, dan wel (subsidiair) hem heeft geprobeerd opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 19 januari 2025 te Holten, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval éénmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek- en/of snijvoorwerp, (met kracht) in de rug en/of de buik, in elk geval in het (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 januari 2025 te Holten, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, in ieder geval éénmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp steek- en/of snijvoorwerp, (met kracht) in de rug en/of de buik, in elk geval in het (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 19 januari 2025 omstreeks 21:00 uur ontving de politie een melding van [aangever] (hierna: [aangever] ) dat haar man in hun woning in [woonplaats] door haar zoon met een mes was gestoken. Ter plaatse trof de politie in de keuken van de woning een man aan die op de grond lag. Later bleek dit [slachtoffer] te zijn. Hij zat onder het bloed en had meerdere steekverwondingen in zijn rug. [slachtoffer] is met spoed naar het ziekenhuis overgebracht. De zoon, naar later bleek verdachte, is in de woning aangehouden en verhoord. Verdachte heeft bekend zijn stiefvader [slachtoffer] meerdere keren met een keukenmes te hebben gestoken.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Voor een bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord biedt het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, omdat er onvoldoende bewijs is voor het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’. Het dossier biedt wel voldoende bewijs voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Relevante feiten en omstandigheden
Op 19 januari 2025 bevond verdachte zich in de woning van zijn moeder [aangever] en stiefvader [slachtoffer] in [woonplaats] , waar verdachte op dat moment ook verbleef. Op enig moment ontstond tussen verdachte en [slachtoffer] een woordenwisseling, welke werd gevolgd door een worsteling. Verdachte is vervolgens naar de keuken gelopen, waar hij een mes uit het messenblok op het aanrecht heeft gepakt. Met dit mes is hij op [slachtoffer] afgelopen en heeft hij hem in de buik gestoken. [slachtoffer] bracht verdachte daarop naar de grond en is met zijn lichaam boven en op verdachte terechtgekomen. Op de grond stak verdachte [slachtoffer] vervolgens meerdere keren in de rug.
De forensisch arts heeft op het lichaam van [slachtoffer] meerdere uitwendige letsels vastgesteld, welke in onderlinge samenhang wijzen op door steken toegebracht letsel. Onder deze steekletsels valt onder meer een huiddoorklieving aan de linkerzijde van de buik. De overige uitwendige steekletsels betreffen huiddoorklievingen verspreid over de rug. Als gevolg van het steken in de borstholte is schade ontstaan aan bloedvaten en organen, waaronder beschadiging van de milt, het middenrif en een klaplong zowel links als rechts.
Overwegingen
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte [slachtoffer] meerdere keren met een mes in de buik en rug heeft gestoken. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe de gedragingen van verdachte juridisch moeten worden gekwalificeerd. Hierbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Indien dat het geval is, komt de vraag aan de orde of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, oftewel; was in juridische zin sprake van een poging tot moord of een poging tot doodslag?
- opzet op de dood?
De rechtbank stelt voorop dat voor een poging tot doodslag dan wel moord is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken met als doel hem van het leven te beroven, zodat van vol opzet geen sprake is.
De vervolgvraag is of sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van [slachtoffer] , is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. [1]
De rechtbank stelt vast dat verdachte meermalen heeft gestoken in de buik en rug van [slachtoffer] . Het is een algemene ervaringsregel dat de buik en rug kwetsbare delen van het lichaam zijn, waarin zich vitale organen bevinden. Bij het met (voldoende) kracht steken met een mes in de buik en rug, bestaat een aanmerkelijke kans dat vitale organen worden geraakt en dat als gevolg hiervan het slachtoffer zou kunnen overlijden.
Dat verdachte met aanzienlijke kracht op [slachtoffer] heeft ingestoken, blijkt uit het forensisch rapport. Daarin is vermeld dat zijn milt en middenrif zijn beschadigd, hij zowel links als rechts een klaplong heeft opgelopen. Medisch ingrijpen was noodzakelijk om te voorkomen dat hij zou komen te overlijden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanmerkelijke kans is ontstaan dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. De rechtbank is verder van oordeel dat de door verdachte verrichte handeling, te weten het met een (keuken)mes lukraak en met kracht insteken op de buik en rug van [slachtoffer] naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het doden van [slachtoffer] dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet had op het doden van [slachtoffer] , zoals primair aan hem is ten laste gelegd.
- met voorbedachten rade?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. [2]
Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van de voorbedachte rade te komen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen is.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen (opsomming van) bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 januari 2025 te Holten ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een mes met kracht in de rug en de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft primair een beroep gedaan op noodweer en heeft daartoe het volgende aangevoerd. [slachtoffer] werd boos en agressief waarna een worsteling tussen hem en verdachte ontstond. Verdachte kon zich niet aan de situatie onttrekken, gelet op de locatie in het huis waar hij zich op dat moment bevond. Ter verdediging heeft hij [slachtoffer] gestoken totdat duidelijk was dat het onmiddellijke gevaar was afgewend.
Subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op putatief noodweer en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte verkeerde abusievelijk in de veronderstelling dat hij zich moest dan wel mocht verdedigen. [slachtoffer] werd namelijk boos en agressief, waarna een worsteling tussen hem en verdachte ontstond. Verdachte meende hierdoor dat [slachtoffer] hem wilde doden. Ter verdediging heeft hij [slachtoffer] gestoken.
Zowel het beroep op noodweer, als het beroep op putatief noodweer kunnen naar het oordeel van de rechtbank, in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie, niet slagen, hetgeen hierna zal worden toegelicht.
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of dat van iemand anders, de eerbaarheid of een goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden. Die verdediging mag de grenzen van de subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Ook mag er geen sprake zijn van eigen schuld, in die zin dat de aanval zou zijn geprovoceerd of uitgelokt (culpa in causa). Voor het slagen van een beroep op noodweer is voldoende dat de verdediging aannemelijk maakt dat de feitelijke omstandigheden die zo’n situatie opleveren zich hebben voorgedaan. [3] Een geslaagd beroep op noodweer heeft tot gevolg dat de bewezenverklaarde handelingen niet strafbaar zijn.
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigend gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. [4] Een geslaagd beroep op putatief noodweer heeft tot gevolg dat geen schuld kan worden verweten aan verdachte.
De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende [5] , feiten en omstandigheden.
Tussen verdachte en [slachtoffer] ontstond op 19 januari 2025 een woordenwisseling. [slachtoffer] sommeerde verdachte de woning te verlaten, maar verdachte weigerde dit. Vervolgens opende [slachtoffer] de deur en trok hij verdachte in de richting van de deuropening om hem uit de woning te zetten. Verdachte verzette zich hiertegen, waarna een worsteling ontstond. Daarbij werd (over en weer) geschreeuwd. Verdachte heeft zich op enig moment ook buiten de woning begeven. Kort daarna stopte het schreeuwen en sprak [slachtoffer] op rustige toon tegen verdachte, waarna verdachte de woning weer betrad en de deur van de woning werd gesloten. Verdachte is daarna in de keuken langs zijn moeder gelopen, heeft een mes uit het messenblok gepakt, is teruggelopen naar [slachtoffer] waarna verdachte [slachtoffer] met het mes heeft gestoken.
De rechtbank stelt op grond van bovenstaande vast op het moment dat [slachtoffer] aan verdachte trok om hem naar buiten te krijgen, mogelijk sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waar verdachte zich tegen moest verdedigen. Echter, op het moment dat verdachte naar het messenblok liep en een mes pakte, was geen sprake meer van een noodweersituatie. Verdachte kon zich immers ongehinderd in de richting van de keuken bewegen, langs [slachtoffer] lopen en een mes pakken uit het messenblok, en vervolgens weer teruggaan naar [slachtoffer] . Van een noodzaak tot verdediging was daarom geen sprake meer: de (mogelijke) noodweersituatie was beëindigd. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Uit de hiervoor omschreven omstandigheden blijkt dat verdachte zich kort voor het pakken van het mes uit het messenblok op het aanrecht vrij heeft kunnen bewegen in de richting van de keuken, een mes heeft kunnen pakken uit het messenblok, en zelf weer terug is gekeerd naar [slachtoffer] . Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat niet aannemelijk is geworden dat hij zich verontschuldigbaar heeft ingebeeld dat sprake was van een dusdanig gevaar dat hij zich daartegen moest verdedigen. Het beroep op putatief noodweer wordt daarom eveneens verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: poging tot doodslag.

5.De op te leggen straf of maatregel

5.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van een jaar, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op te leggen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en (ten hoogste) TBS met dwangverpleging op te leggen.
5.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zijn stiefvader, [slachtoffer] , meerdere keren met een mes in zijn lichaam gestoken. Hij heeft daarmee het leven van [slachtoffer] ernstig in gevaar gebracht, slechts door tijdig medisch ingrijpen is voorkomen dat [slachtoffer] is overleden. Door het handelen van verdachte is de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig geschonden en dit heeft angst en paniek bij hem veroorzaakt.
Uit het letselverslag blijkt dat [slachtoffer] ernstige verwondingen heeft opgelopen, waaronder een (dubbele) klaplong. Als gevolg van het toegebrachte steekletsel ondervindt [slachtoffer] blijvende lichamelijke beperkingen. Het steekincident heeft ook psychische gevolgen voor hem gehad. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte verder aan dat het steekincident in de woning van zijn moeder en stiefvader plaatsvond, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen. De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat zijn moeder hierbij aanwezig was en heeft gezien hoe haar zoon meermalen op haar echtgenoot instak.
Een feit als deze heeft bovendien tot gevolg dat de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving worden bevestigd en versterkt door de lichtzinnigheid waarmee gebruik is gemaakt van een mes als steekwapen.
De rechtbank weegt echter ook mee dat verdachte ter zitting te kennen heeft gegeven zich ervan bewust te zijn dat hij verdriet heeft toegebracht aan zijn stiefvader, moeder en overige gezinsleden. De rechtbank stelt vast dat verdachte ter zitting volledige openheid van zaken heeft gegeven, zich kwetsbaar heeft opgesteld en oprechte spijt heeft getoond. Ook heeft hij meegewerkt aan persoonlijkheidsonderzoeken.
Persoon van verdachte
- Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 3 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, onder meer voor mishandeling, poging tot zware mishandeling en bedreiging.
- Rapportages
De rechtbank heeft gelet op de rapportage van de psychiater en psycholoog van respectievelijk 10 oktober 2025 en 14 oktober 2025.
Zij hebben gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, gekenmerkt door een reeds langer bestaande psychotische desintegratie die past binnen dit ziektebeeld. Deze stoornis was aanwezig tijdens het plegen van het feit waardoor verdachte zijn wil verminderd kon bepalen. De deskundigen adviseren om die reden het feit in ieder geval in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De deskundigen hebben volledige ontoerekeningsvatbaarheid overwogen maar zij achten dat verdachte wel deels in staat is geweest om een keuze te maken in zijn handelen.
De rechtbank deelt de conclusie van de deskundigen over de verminderde toerekenbaarheid en neemt deze over.
Uit de rapportages volgt verder dat verdachte vanaf april 2025 antipsychotische dwangmedicatie krijgt, waarop hij goed reageert. Gelet op het chronische karakter van de schizofrenie, de daarmee samenhangende verhoogde prikkelbaarheid, het beperkte ziekte-inzicht, de zelfoverschatting en mogelijke psychotische achterdocht, wordt het aannemelijk geacht dat verdachte niet trouw zal/kan blijven aan het innemen van medicatie. Onder dergelijke omstandigheden is het te voorzien dat maatschappelijke teloorgang en overlastgevend gedrag zullen optreden, met daarbij een verhoogd gevaar voor het eigen welbevinden en de veiligheid van verdachte en/of (willekeurige) derden. Het risico op recidive indien verdachte zonder behandeling en toezicht in de samenleving terugkeert, wordt als hoog ingeschat. Langdurige begeleiding en toezicht op het medicatiegebruik is om die reden van groot belang. De deskundigen concluderen dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is. Gelet op het hoge recidiverisico op geweld, de onderliggende psychische stoornis en de noodzaak van een hoog beveiligingsniveau (minimaal niveau 3), dient deze behandeling plaats te vinden in het kader van een TBS met dwangverpleging in een daartoe geschikte instelling, zoals een FPK of een FPC.
De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op de reclasseringsrapportage van 29 oktober 2025, waaruit volgt dat de reclassering het ongepast en onmogelijk acht om voorwaarden te adviseren bij een eventueel op te leggen straf, omdat TBS met dwangverpleging wordt geadviseerd.
Op te leggen straf en/of maatregel
-
TBS met dwangverpleging
TBS met dwangverpleging kan worden opgelegd indien bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn zoals omschreven in artikel 37a, eerste lid, Sr en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Tot slot is vereist dat de rechtbank beschikt over een advies van twee gedragsdeskundigen, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
De rechtbank stelt vast dat aan deze vereisten is voldaan. Uit de bevindingen van de deskundigen volgt dat het risico op herhaling van een fors geweldsdelict als hoog wordt ingeschat. Gelet op het eerdere gedrag van verdachte zijn er aanwijzingen voor gevaar op het plegen van geweld en het uiten van geweldsdreigingen, zowel jegens familieleden als jegens willekeurige derden. Op dit moment vertoont verdachte stabiel gedrag, hetgeen het gevolg is van de antipsychotische medicatie (onder dwang). De medicatie-inname is derhalve essentieel voor het waarborgen van zijn stabiliteit, het verminderen van psychotische symptomen en desintegratie, en daarmee voor het terugdringen van het agressierisico. Verdachte is echter niet intrinsiek gemotiveerd om de medicatie zonder een dwingend kader te blijven gebruiken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, indien de keuze bij hem zou liggen, zou stoppen met het gebruik van de medicatie. Voorts blijkt uit het verleden dat hij eerder zijn medicatiegebruik heeft gestaakt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande in samenhang bezien met de ernst van het bewezenverklaarde, van oordeel dat er zonder adequate (medicamenteuze) behandeling een reële kans op herhaling aanwezig is, waarbij gevaar voor de veiligheid van anderen bestaat.
De rechtbank is van oordeel dat intensieve en langdurige behandeling (met medicamenteuze dwang) van verdachte geboden is. Gezien de ernst en het chronische karakter van de stoornis, het door die stoornis ingegeven gebrek aan inzicht van verdachte in zijn eigen ziektebeeld, waardoor hij de noodzaak van medicatie onvoldoende beseft, alsmede het aanzienlijke recidiverisico en het gevaar voor anderen indien verdachte onbehandeld in de maatschappij zou terugkeren, acht de rechtbank het opleggen van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk en proportioneel. Een voorwaardelijk strafdeel met klinische behandeling of een TBS met voorwaarden acht de rechtbank niet toereikend, aangezien het risico op recidive daarmee onvoldoende wordt ondervangen. De rechtbank acht de door de deskundigen voorgestelde langdurige, intensieve en forensische (klinische) behandeling in een instelling met een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.
De rechtbank overweegt dat de maatregel van TBS met dwangverpleging wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk poging tot doodslag. De totale duur van de maatregel kan daarom, op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr, een periode van vier jaar te boven gaan.
- Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de aard en ernst van het bewezenverklaarde aan verdachte ook een gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal van deze straf worden afgetrokken.

6.De schade van de benadeelde

6.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 15.747,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 911,99 - reiskosten;
  • € 50,50 - parkeerkosten;
  • € 913,25 - huishoudelijke hulp;
  • € 2.592,00 - persoonlijke begeleiding en verzorging / mantelzorg;
  • € 917,00 - medische kosten, bestaande uit:
- € 385,00 - eigen risico;
- € 532,00 - ziekenhuisdaggeldvergoeding;
  • € 112,80 - hotelovernachting zoon;
  • € 250,00 - schade aan kleding en afvalbak;
  • € 55,70 - annulering treinreis Zwitserland.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,00 gevorderd.
6.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier heeft toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
6.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten ‘reiskosten’, ‘hotelovernachting zoon’ en ‘persoonlijke begeleiding en verzorging / mantelzorg’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Met betrekking tot de overige schadeposten heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.4
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
- Materiële schade
De opgevoerde schadeposten ‘huishoudelijke hulp’, ‘medische kosten’ en ‘annulering treinreis Zwitserland’ zijn voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal deze gevorderde bedragen van respectievelijk € 913,25, € 917,00 en € 55,70 toewijzen.
De opgevoerde schadepost ‘reiskosten’ en ‘parkeerkosten’ acht de rechtbank, ondanks dat deze door de verdediging gemotiveerd is betwist, ook voldoende onderbouwd en aannemelijk. Deze schadepost is aan te merken als verplaatste schade en komt derhalve voor vergoeding in aanmerking. Het gevorderde bedrag van € 911,99 voor de reiskosten en
€ 50,50 voor de parkeerkosten zullen daarom worden toegewezen. Voormelde bedragen zullen worden vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank is, wat betreft de opgevoerde schadepost ‘schade aan kleding en afvalbak’, van oordeel dat, hoewel deze post niet (voldoende) is onderbouwd, aannemelijk is dat door het handelen van verdachte de kleding en afvalemmer van de benadeelde partij zijn beschadigd. De omvang van de schade wordt naar maatstaven van billijkheid geschat op € 100,00. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadepost voor het overige alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden en de benadeelde partij daarom voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
De opgevoerde schadeposten ‘persoonlijke begeleiding en verzorging / mantelzorg’ zijn onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. Ter onderbouwing van deze schadeposten is een overzicht overgelegd, waarop is vermeld hoeveel uren zijn besteed aan persoonlijke begeleiding, verzorging en mantelzorg. Uit dit overzicht kan de rechtbank echter niet goed opmaken welke taken zijn verricht. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat het voor al de gestelde zorg die in dit geval door familie is verleend, normaal en gebruikelijk is dat die zorgtaken anders door professionele dienstverleners zouden zijn verricht. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden en de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van de opgevoerde schadepost ‘hotelovernachting zoon’ is de rechtbank van oordeel dat deze schade niet als verplaatste schade valt aan te merken. De rechtbank zal deze schadepost daarom afwijzen.
-
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, nu hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het feit heeft bovendien psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad. Gelet op de gegeven onderbouwing en in aansluiting op hetgeen in vergelijkbare zaken is toegewezen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
€ 10.000,00, dat bovendien door de verdediging niet is betwist, billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag derhalve volledig toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
6.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair ten laste gelegde is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 99 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 37a en 37b Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart niet bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde (poging tot moord) heeft begaan, zoals hierboven omschreven en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders onder primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: poging tot doodslag;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (een) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van
overheidswege zal worden verpleegd;
schadevergoeding
- veroordeelt verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van in totaal
€ 12.948,44(twaalfduizendnegenhonderdachtenveertig euro en vierenveertig cent), bestaande uit
€ 2.948,44(tweeduizendnegenhonderdachtenveertig euro en vierenveertig cent) materiële schadevergoeding en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schadevergoeding. Voormeld bedrag is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij
[slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het primair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 12.948,44(twaalfduizendnegenhonderdachtenveertig euro en vierenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
99(negenennegentig)
dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • wijst een bedrag van € 112,80 (honderdtwaalf euro en tachtig cent) aan materiële schade af;
  • bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel van € 2.742,00 (tweeduizendzevenhonderdtweeënveertig euro) aan materiële schade niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Heblij, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. T.H. Kapinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, onderzoek ‘Buizerd25’ met nummer R025004. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv;
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van verbalisanten
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 28 januari 2025, p. 14-19;
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een forensisch medisch rapportage meerderjarige van Vincent Latour, forensisch arts, van 16 juni 2025;
4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 19 januari 2025,
p. 35-36.

Voetnoten

1.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718
2.HR 20 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:943
3.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456
4.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456
5.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ,