Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:7457

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ak_25_1569
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke terugvordering WIA-uitkering wegens onzorgvuldige informatie UWV

Eiser ontving een WIA-uitkering en werkte daarnaast parttime bij een werkgever waar hij deels sociaal loon ontving. Na overstap naar een nieuwe werkgever zonder sociaal loon, berekende het UWV de uitkering opnieuw en vorderde een bedrag van € 1.470,97 terug over de periode oktober 2024 tot maart 2025.

Eiser voerde aan dat het UWV hem onvoldoende had geïnformeerd over de gevolgen van zijn baanwissel, waardoor hij onbedoeld een lagere uitkering kreeg en een terugvordering moest doen. De rechtbank stelde vast dat het UWV de wettelijke regels correct had toegepast, maar onvoldoende rekening had gehouden met zijn eigen aandeel in de ontstane situatie.

De rechtbank oordeelde dat het UWV onzorgvuldig was geweest door een algemeen antwoord te geven zonder de specifieke situatie van eiser te betrekken, wat leidde tot onjuiste verwachtingen bij eiser. Gezien deze dringende reden halveerde de rechtbank het terug te vorderen bedrag tot € 735,49.

Daarnaast werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het griffierecht aan eiser vergoed en de proceskosten aan eiser toegekend. Een schadevergoeding werd afgewezen omdat geen concrete schade was aangetoond.

Uitkomst: De rechtbank halveert de terugvordering van de WIA-uitkering wegens onzorgvuldig handelen van het UWV en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1569

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. P. Spoelstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de WIA-uitkering van eiser over de periode van
1 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025 en over het bedrag van bruto € 1.470,97 dat eiser aan het UWV moet terugbetalen. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep slaagt. De rechtbank stelt het bedrag dat eiser moet terugbetalen vast op € 735,49. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
In de besluiten van 24 en 26 april 2025 heeft het UWV de hoogte van eisers WIA [1] -uitkering over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025 definitief vastgesteld. Eiser moet over die periode een brutobedrag van € 1.470,97 terugbetalen.
2.2.
Eiser heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij die besluiten gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser ontving sinds 29 september 2021 een loongerelateerde WGA [2] -uitkering op grond van de Wet WIA. Deze uitkering is op 13 juni 2023 veranderd in een loonaanvullingsuitkering.
3.1.
Eiser werkte naast zijn WIA-uitkering parttime bij [bedrijf] ([bedrijf]). Van het SV-loon werd door het UWV een percentage op de uitkering in mindering gebracht. Bij [bedrijf] ontving eiser een deel sociaal loon, dat door het UWV niet als SV-loon werd aangemerkt, en waarvan dus geen percentage op de uitkering in mindering werd gebracht. Eiser ontving de uitkering als voorschot. Nadat de precieze hoogte van de inkomsten bekend was, werden telkens per half jaar de inkomsten verrekend en werd de definitieve hoogte van de uitkering vastgesteld.
3.2.
In februari 2024 zijn tussen eiser en het UWV de volgende berichten gewisseld:
  • Eiser: “Goedemorgen, Ik heb een herseninfarct gehad en werk nog 20 uur waarbij de overige 20 uur wordt aangevuld door het UWV. Ik ben benaderd om van werkgever te veranderen waarbij ik meer thuis kan werken, wat in mijn situatie meer rust en minder prikkels zou betekenen. Wat zijn de consequenties voor mijn uitkering wanneer ik van werkgever zou wisselen? Wordt ik dan bij een eventuele loonsverhoging gekort in mijn uitkering, of wordt het nieuwe loon meegenomen in de berekening?”
  • UWV: “U wilt weten hoe uw inkomsten berekend worden wanneer u een nieuwe baan
krijgt. Uiteraard wordt de loonsverhoging niet volledig gekort op uw uitkering.
Wij gaan op basis van uw nieuwe salaris een nieuw berekening maken.”
- Eiser: “Om een goed beeld te krijgen wat mij dit gaat opleveren zou ik graag deze
berekening willen weten. Kunnen jullie mij informeren hierover? Zou graag willen weten wat mij dit uiteindelijk precies gaat opleveren om een goede overweging te maken.”
- UWV: “Bedankt voor uw bericht, u geeft aan graag te willen weten wat het zou betekenen als u van werkgever veranderd. Helaas kunnen wij op voorhand niet aangeven wat u precies gaat overhouden, deze berekening kunt u echter zelf wel doen door de reken hulp in te vullen. Hierbij kunt u zelf aangeven wat u gaat verdienen bij de nieuwe werkgever. U berekent de hoogte van uw WIA-uitkering met de rekenhulp. Daarbij heeft u de beslissingsbrief van uw WIA-uitkering nodig en een loonstrook van uw werkgever. Nadat u de rekenhulp heeft ingevuld, ziet u hoeveel WIA-uitkering u ongeveer per maand krijgt.”
3.3.
Vanaf 28 oktober 2024 werkt eiser niet meer bij [bedrijf], maar bij TA Control Systems BV (Control Systems), aanvankelijk parttime en vanaf maart 2025 fulltime. Het loon dat eiser bij Control Systems is gaan verdienen, is ongeveer even hoog als het loon dat eiser verdiende bij [bedrijf], maar omvat geen component sociaal loon. Het SV-loon van eiser is dus hoger geworden.
3.4.
Bij besluit van 10 oktober 2024, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 november 2024, heeft het UWV eiser laten weten dat het maandelijkse voorschot op zijn WIA-uitkering per 1 november 2024 lager wordt. Het beroep tegen dit besluit (met nummer 25/653) is bij uitspraak van vandaag niet-ontvankelijk verklaard.
3.5.
In maart 2025 is eiser full time gaan werken bij Control Systems. Zijn WIA-uitkering is op zijn verzoek vanaf 1 april 2025 beëindigd.
3.6.
In de besluiten van 24 en 26 april 2025, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 mei 2025, heeft het UWV de hoogte van eisers WIA-uitkering over de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025 definitief vastgesteld. Eiser moet over die periode een brutobedrag van € 1.470,97 terugbetalen.

Standpunten van partijen

4.1.
Het UWV heeft het recht op uitkering over de maanden oktober 2024 tot en met maart 2025 vastgesteld. De inkomsten uit werk zijn verrekend met het recht op uitkering. Het verschil tussen het recht op uitkering en het voorschot dat eiser heeft ontvangen, is over de maanden oktober 2024 tot en met februari 2025 ongeveer € 85,- in het voordeel van eiser. Dat komt omdat het voorschot op de uitkering eerder al was verlaagd in verband met zijn nieuwe werk. Het verschil tussen het recht op uitkering en het voorschot dat eiser heeft ontvangen over de maand maart 2025 is echter ongeveer € 1.555,- in het nadeel van eiser. Dat komt doordat eiser in maart 2025 een bedrag van € 5.378,78 aan inkomsten uit werk had. Hij had daardoor geen recht meer op betaling van de WIA-uitkering over die maand, maar hij had wel een voorschot gekregen. Dat voorschot moet hij terugbetalen. Het UWV heeft het bedrag dat eiser nog krijgt, afgehaald van het bedrag dat hij nog moet betalen en heeft het verschil van € 1.470,97 van eiser teruggevorderd. Er zijn volgens het UWV geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.2.
Eiser vindt het niet terecht dat zijn uitkering lager is en dat hij ook nog geld moet terugbetalen, omdat het UWV rekent met de volledige inkomsten uit zijn werk bij Control Systems. Bij de werkgever waar eiser daarvóór werkte, kreeg hij een gedeelte sociaal loon. Dat deel merkte het UWV niet aan als SV-loon. Het UWV hield met dit deel dus geen rekening bij het berekenen van de hoogte van eisers uitkering. Eiser heeft, voordat hij ging werken bij Control Systems, aan het UWV gevraagd of zijn uitkering omlaag zou gaan bij het aannemen van een nieuwe baan. Het UWV heeft toen niet gezegd dat hij eerst sociaal loon kreeg en bij de nieuwe werkgever niet meer. Daarom heeft eiser door de schuld van het UWV een nieuwe baan zonder sociaal loon genomen. Daardoor is zijn maandelijkse uitkering verlaagd met € 260,-, terwijl zijn inkomsten gelijk zijn gebleven. Daar is eiser het niet mee eens en nu moet hij ook nog eens een bedrag van € 1.470,97 terugbetalen. Voor eiser voelt het niet eerlijk en hij vindt dat hij gestraft wordt omdat hij nog de wil heeft om te gaan werken. Bovendien heeft een medewerker van het UWV al gezegd dat eiser gelijk heeft.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.
Partijen zijn het erover eens dat het UWV de uitkering in overeenstemming met de wettelijke regels heeft berekend. Daardoor staat vast dat het UWV over de periode van oktober 2024 tot en met maart 2025 een bedrag van € 1.470,97 te veel aan eiser heeft betaald.
5.2.
Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA verplicht het UWV terug te vorderen wat te veel aan WIA-voorschotten is betaald. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien, is op grond van het zesde lid van dat artikel beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn.
5.3.
De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 18 april 2024 [3] zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Bij het nemen van een besluit over terugvordering is het UWV verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
5.4.
Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld. Voor wat betreft herzienings- en terugvorderingsbesluiten, genomen door het UWV, geldt dat de toetsing van de bestuursrechter, gelet op de aard van de betrokken belangen en de geringe mate van beleidsruimte van het UWV, op het punt van de evenwichtigheid intensief zal zijn.
5.5.
De rechtbank volgt het UWV niet in zijn standpunt dat geen sprake is van dringende redenen om gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het UWV heeft onvoldoende gewicht toegekend aan het eigen handelen in februari 2024. Eiser heeft een hersenbeschadiging, en heeft voordat hij van baan wisselde contact opgenomen met het UWV. Hij heeft expliciet gevraagd naar de consequenties van het ontvangen van een nieuw, eventueel hoger loon voor zijn uitkering. Voor de rechtbank is niet duidelijk waarom het UWV heeft volstaan met een algemeen antwoord en een verwijzing naar een rekentool, in plaats van het dossier van eiser te raadplegen om hem een op zijn specifieke situatie toegespitst antwoord te kunnen geven waar eiser daadwerkelijk wat aan gehad zou hebben. Eiser heeft overtuigend verklaard dat hij zich er niet van bewust was dat hij een deel sociaal loon kreeg bij [bedrijf]. Als het UWV het dossier van eiser had geraadpleegd, had het UWV eiser daarover kunnen informeren en hem daarbij kunnen waarschuwen dat het vervallen van deze component gevolgen zou hebben voor het inkomen dat eiser na zijn baanwisseling onder de streep zou overhouden. Onder deze omstandigheden is het onzorgvuldig dat het UWV eiser heeft bericht dat de loonsverhoging uiteraard niet volledig zou worden gekort op zijn uitkering. De rechtbank acht het voorstelbaar dat eiser deze mededeling zo heeft begrepen dat hij dacht dat hij er niet per saldo in inkomsten op achteruit zou gaan. Daarnaast heeft eiser onweersproken gesteld dat hij niet van baan zou zijn gewisseld als hij adequaat was geïnformeerd, en dat hij door de vermindering van zijn uitkering en de terugvordering heel veel stress heeft ervaren waardoor zijn relatie ernstig onder druk is komen te staan.
5.6.
Gelet op wat is overwogen onder 5.5 kan het UWV wel enig verwijt worden gemaakt van de ontstane situatie die tot het bestreden besluit heeft geleid. De rechtbank ziet daarin een dringende reden die het UWV aanleiding had moeten geven gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat de terugvordering mede wordt veroorzaakt doordat het saldo van te veel en te weinig betaalde uitkering negatief is door het voorschot dat over maart 2025 was betaald, maakt dat niet anders. De terugvordering ziet immers op de gehele periode van oktober 2024 tot en met maart 2025. Daarbij is dus ook van belang met welke inkomsten het UWV rekening heeft gehouden bij het berekenen van de hoogte van de uitkering over de periode van oktober 2024 tot en met februari 2025.
5.7.
Het UWV heeft tijdens de zitting te kennen gegeven dat, áls er gevolgen moeten worden verbonden aan het berichtenverkeer van februari 2024, dit ertoe zou kunnen leiden dat de terugvordering moet worden gehalveerd. De rechtbank ziet aanleiding om hierbij aan te sluiten door zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de terugvordering moet worden gehalveerd. Er is geen reden voor een verder gaande matiging van de terugvordering, omdat deze ook voor een deel wordt veroorzaakt doordat eiser pas op 12 maart 2025 heeft doorgegeven dat zijn inkomsten hoger zijn geworden. Op dat moment was het voorschot over de maand maart al betaald. Met een halvering van de terugvordering dragen beide partijen een deel van de financiële gevolgen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 77, zesde lid van de Wet WIA. Dat betekent dat eiser gedeeltelijk gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht terug. Ook moet het UWV de proceskosten van eiser vergoeden. Eiser heeft op het proceskostenformulier ingevuld dat hij € 945,- verletkosten heeft gemaakt omdat hij 8 uren heeft vrij genomen voor het bijwonen van twee zittingen op 6 juni 2025 en 30 oktober 2025. Omdat in déze zaak alleen op 30 oktober 2025 een zitting is gehouden, kent de rechtbank alleen voor 4 uren verletkosten toe. Er is geen aanleiding voor een schadevergoeding omdat niet is gebleken dat eiser schade heeft geleden doordat de terugvordering op een te hoog bedrag was vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 mei 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 mei 2025;
- bepaalt het bedrag van de terugvordering op € 735,49 bruto;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 472,50;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
2.werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726