ECLI:NL:RBOVE:2025:7544

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11827153 \ EJ VERZ 25-133
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst op bedrijfseconomische gronden door Conduent

In deze zaak verzoekt Conduent Netherlands B.V. de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met werknemer [partij B] te ontbinden op bedrijfseconomische gronden. De werknemer is sinds 9 november 2020 in dienst en ontvangt een bruto maandsalaris van € 6.423,60. Conduent heeft in maart 2025 toestemming gevraagd aan het UWV om het dienstverband op te zeggen, maar deze is op 6 juni 2025 geweigerd. De kantonrechter heeft het verzoek van Conduent afgewezen, omdat niet voldoende is aangetoond dat er bedrijfseconomische omstandigheden zijn die het verval van de functie van [partij B] rechtvaardigen. De kantonrechter oordeelt dat Conduent niet heeft voldaan aan de herplaatsingsverplichting en dat de aangevoerde redenen voor het verval van de functie onvoldoende onderbouwd zijn. De kantonrechter wijst erop dat de werkgever de stelplicht en bewijslast heeft om aan te tonen dat er een redelijke grond voor ontslag is. De beslissing van de kantonrechter is dat de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden en dat Conduent de proceskosten moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 11827153 \ EJ VERZ 25-133
Beschikking van 22 december 2025
in de zaak van
CONDUENT NETHERLANDS B.V.,
te Tilburg,
verzoekende partij,
verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: Conduent,
gemachtigde: mr. M. Bosma, advocaat te Utrecht,
tegen
[partij B],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. W.Y. Hofstra, advocaat te Hilversum.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties,
- het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen enige tijd aangehouden voor overleg over een minnelijke regeling. Partijen hebben de kantonrechter bij afzonderlijke brieven van 20 november 2025 verzocht uitspraak te doen.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De zaak in het kort

2.1.
Conduent is een internationale organisatie die bedrijven en overheden ondersteunt met bedrijfskritische diensten en oplossingen zoals klantcontactdiensten, human resource-diensten en oplossingen voor operationeel management en transactieverwerking.
2.2.
[partij B] , geboren op [geboortedatum] 1962, is sinds 9 november 2020 (voor onbepaalde tijd) in dienst bij Conduent. De functie van [partij B] is [functie] met een loon van € 6.423,60 bruto per maand op basis van 40 uur per week.
2.3.
Conduent heeft in maart 2025 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) toestemming gevraagd het dienstverband van [partij B] op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen in de zin van artikel 7:671a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij besluit van 6 juni 2025 heeft het UWV geweigerd om aan Conduent deze toestemming te verlenen.
2.4.
In deze procedure verzoekt Conduent de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [partij B] te ontbinden op bedrijfseconomische gronden. [partij B] heeft daartegen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst het verzoek van Conduent af, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat Conduent als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering heeft moeten treffen, die ertoe leiden dat de arbeidsplaats/functie van [partij B] vervalt en daarnaast omdat Conduent niet heeft voldaan aan de herplaatsingsverplichting. De kantonrechter licht haar oordeel hierna toe.

3.Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijke) tegenverzoek

3.1.
Conduent verzoekt de kantonrechter (kort gezegd), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tussen Conduent en [partij B] bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst
mogelijke termijn te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW;
II. bij het bepalen van de einddatum van het dienstverband rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de te wijzen ontbindingsbeschikking en deze duur in mindering te brengen op de voor partijen geldende opzegtermijn;
III. aan [partij B] de transitievergoeding toe te kennen;
IV. de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.2.
[partij B] verweert zich gemotiveerd tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [partij B] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarnaast verzoekt [partij B] in dat geval primair te bepalen dat Conduent geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentie- en het relatiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, althans subsidiair beide bedingen te vernietigen, althans meest subsidiair te bepalen dat Conduent voor de duur van deze bedingen aan hem een billijke vergoeding moet betalen, een en ander met veroordeling van Conduent in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.3.
Op de door partijen over en weer ingenomen stellingen en verweren zal hierna, voor zover van belang nader worden ingegaan.
4. De beoordeling van het verzoek en het voorwaardelijk tegenverzoek
Vooraf
4.1.
Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen enige tijd aangehouden om hen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Dat is niet gelukt. Namens partijen is bij afzonderlijke brieven van 20 november 2025 verzocht om beschikking te wijzen. Conduent heeft echter niet volstaan met deze mededeling, maar ook haar (nadere) inhoudelijke visie gedeeld. Van de zijde van [partij B] is daartegen naar het oordeel van de kantonrechter terecht bezwaar gemaakt. De handelwijze van de zijde van Conduent is in strijd met hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken en in strijd met de goede procesorde. De kantonrechter moet bovendien het ontbindingsverzoek beoordelen op basis van hetgeen bekend is bij de behandeling van het verzoek, en eventueel nog ter zitting bekend wordt en dat geldt ook voor het herplaatsings-vereiste. Daarbij past niet dat een werkgever tijdens de procedure een mogelijk ‘niet geheel voldragen dossier’ alsnog tijdens de procedure repareert. [1] De kantonrechter zal het inhoudelijke deel van de brief van 20 november 2025 van Conduent dan ook buiten beschouwing laten en niet bij haar beoordeling betrekken.
Het verzoek van Conduent
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [2] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [3] Conduent heeft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW (de a-grond).
4.4.
De kantonrechter zal beoordelen of aan de vereisten van een redelijke grond en herplaatsing is voldaan.
Redelijke grond voor ontbinding - verval van de arbeidsplaats
4.5.
Als één van de redelijke gronden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt in artikel 7:669 lid 3 onder a BW aangemerkt:
‘het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.’
4.6.
In de Ontslagregeling zijn nadere regels gesteld met betrekking tot onder andere een redelijke grond voor ontslag, het afspiegelingsbeginsel en de herplaatsingsplicht. [4] Daarnaast heeft het UWV Uitvoeringsregels voor het ontslag wegens bedrijfseconomische redenen vastgesteld. [5] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Ontslagregeling (en de toelichting daarop) recht in de zin van artikel 79 Wet Rechterlijke Organisatie is, en dat de Uitvoeringsregels alleen bindend zijn voor het UWV. [6] Dit laatste neemt niet weg dat de rechter deze regels wel als richtsnoer kan gebruiken. In de Memorie van toelichting bij de Wet werk en zekerheid (Wwz) is ook tot uitgangspunt genomen dat de rechter het ontbindingsverzoek aan dezelfde criteria toetst als het UWV. [7]
4.7.
Het staat een werkgever in beginsel vrij om voor een bepaalde bedrijfsvoering en inrichting van zijn onderneming te kiezen, ook als dat leidt tot een organisatieverandering met verlies van arbeidsplaatsen. Dat neemt niet weg dat opzegging van een arbeidsovereen-komst wel een voldragen ontslaggrond vereist. De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een voldragen ontslaggrond liggen bij Conduent.
4.8.
Conduent heeft bij het UWV een ontslagaanvraag voor [partij B] ingediend op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, meer in het bijzonder organisatorische of technologische veranderingen. Daarbij heeft Conduent aangevoerd dat zij al meerdere jaren verlies lijdt. Ook binnen de bredere Europese groep van Conduent-entiteiten (hierna: de EMEA-regio) worden aanzienlijke verliezen geleden. Als gevolg van de aanhoudende verliezen over 2024 en de voorgaande jaren staat de continuïteit van zowel de Europese groep als haar individuele entiteiten onder druk. Als onderdeel van een internationale herstructurering door de moedermaatschappij, vanwege margedruk, is besloten dat in de gehele EMEA-regio geen actieve verkoopinspanningen meer geleverd zullen worden gericht op het verkrijgen van nieuwe klanten. Volgens Conduent vinden binnen de EMEA-regio
aanzienlijk minder verkopen plaats en lopen de salesactiviteiten binnen deze regio al jaren terug. Daarom heeft Conduent ervoor gekozen om zich meer te gaan richten op andere regio’s. Als gevolg van deze besluitvorming is al eerder afscheid genomen van het volledige salesteam, op één medewerker na, en zijn alle salesactiviteiten met ingang van l januari 2025 verplaatst naar Amerika, aldus Conduent. Volgens Conduent is de functie van [partij B] met deze verplaatsing inhoudsloos geworden nu deze functie normaliter ondersteuning biedt aan het salesteam. Vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering heeft Conduent besloten om de functie van [partij B] te laten vervallen. Ook ontstaan er geen nieuwe functies. Collega [naam 1] , met dezelfde functie als [partij B] , gaat de enige beschikbare rol in het accountmanagement vervullen, waarmee hij de bestaande klanten van Conduent in Nederland blijft beheren.
4.9.
Het UWV heeft de ontslagaanvraag afgewezen en daarbij als toelichting (kort gezegd) aangegeven dat de door Conduent aangedragen redenen voor de organisatorische veranderingen tegenstrijdig van aard dan wel onvoldoende onderbouwd zijn. Conduent verklaart tegenstrijdig over het al dan niet verplaatsen van alle salesactiviteiten en is er niet in geslaagd om de gestelde (financiële) omstandigheden die aanleiding geeft tot de voorgenomen organisatorische veranderingen te onderbouwen. Conduent heeft verder geen schriftelijke vastlegging van een besluit of reorganisatieplan overgelegd waaruit de wijzigingen betreffende de salesafdeling en concreet het verval van de arbeidsplaats/functie van [partij B] volgen. De door Conduent meegezonden stukken maken onvoldoende inzichtelijk dat de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] dient te vervallen. Conduent geeft enerzijds aan dat de functie van [partij B] inhoudsloos is geworden, omdat hij ondersteunde taken verricht voor de salesafdeling en dat de functie vervalt. Anderzijds geeft zij aan dat de taken van de [functie] in het belang van de organisatie worden herverdeeld, in die zin dat alle saleswerkzaamheden (voor bestaande klanten) kunnen en worden verricht door de individuele sales medewerker (collega [naam 1] ). Daarbij wordt enkel de rol van accountmanagement genoemd. Hoewel wordt aangegeven dat er geen nieuwe functies worden gecreëerd, is onvoldoende duidelijk hoe deze 'rol' dan wel gekwalificeerd moet worden. Conduent is nogmaals door het UWV in de gelegenheid gesteld om de bedrijfseconomische redenen en de noodzaak voor het verval van de arbeidsplaats/functie van [partij B] nader te onderbouwen, maar volgens het UWV heeft Conduent haar onvoldoende van haar standpunt overtuigd. Conduent reageert slechts met algemene antwoorden of een herhaling van punten uit de ontslagaanvraag. Het UWV meent dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat het verval van de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.
4.10.
In hoofdstuk 1.2.1 van de Uitvoeringsregels is bepaald dat de door de werkgever aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden moeten worden onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de werkgever deze terecht aanvoert. Ook moet de werkgever toelichten dat het verval van de arbeidsplaats logisch samenhangt met de ernst van de bedrijfseconomische omstandigheden en de getroffen maatregelen. Voor de door Conduent aangevoerde bedrijfseconomische redenen is in hoofdstuk 1.2.4 (organisatorische of technologische veranderingen) vermeld welke gegevens en toelichtingen verstrekt moeten worden. De kantonrechter stelt vast dat deze gegevens niet (volledig) door Conduent zijn overgelegd en bedoelde toelichtingen niet (voldoende) zijn verstrekt. Met de informatie die in het kader van de UWV-procedure en aanvullend in deze ontbindingsprocedure wel is overgelegd, is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende inzichtelijk geworden dat het verval van de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Daarbij acht de kantonrechter van betekenis dat Conduent weliswaar stelt dat de reorganisatie zorgvuldig is voorbereid en gebaseerd is op daadwerkelijke bedrijfseconomische noodzaak, maar dat zij dat onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Zo ontbreekt een besluit of een reorganisatieplan van de (directie van de) moedermaatschappij waaruit de wijzigingen over de salesafdeling en concreet het verval van de arbeidsplaats/functie van [partij B] volgen. De (summiere)
e-mailberichten van vicepresident [naam 2] van 9 april 2025 respectievelijk [naam 3] van 20 mei 2025 dateren van na de ontslagaanvraag en alleen daarom kan aan deze
e-mailberichten niet de waarde worden toegekend die Conduent daaraan hecht. Bovendien kan er niet aan voorbij worden gegaan dat in de brief van Conduent aan [partij B] van
14 januari 2025 wordt verwezen naar een aanzienlijk herstructureringsplan. Stukken die daarop zien heeft Conduent evenmin ter onderbouwing ingebracht.
4.11.
Daarbij komt dat [partij B] de noodzaak tot verval van zijn functie/arbeidsplaats gemotiveerd betwist. In dat verband heeft [partij B] (onder meer) naar voren gebracht dat in werkelijkheid niet alle sales-activiteiten naar Amerika zijn verplaatst en dat er binnen de EMEA-groep nog steeds aanvragen van nieuwe klanten worden beantwoord. Gezien de door Conduent ingenomen stellingen vraagt [partij B] zich daarnaast af of sprake is van het uitbesteden van werkzaamheden in plaats van het structureel verval van arbeidsplaatsen, wat een ontslag niet zou rechtvaardigen. [partij B] wijst er ook op dat de werkzaamheden vanuit huis worden verricht en dat het daarbij niet uitmaakt voor welke regio de werkzaamheden worden uitgevoerd. Verder merkt [partij B] op dat hij op 17 februari 2025 nog een substantiële bonus heeft ontvangen.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Conduent, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij B] , niet, althans onvoldoende, aangetoond waarom het verval van de arbeidsplaats en daarmee de functie van [partij B] noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.
4.13.
Bovendien overtuigen de financiële gegevens die eerst in deze procedure zijn overgelegd niet. Conduent maakt deel uit van een groep/concern en daarom is niet uitgesloten dat ook financiële (kern)gegevens van de groep/het concern van belang zijn voor de beoordeling. Uit de ingenomen standpunten van Conduent kan wel worden afgeleid dat diverse entiteiten in zwaar weer verkeren en er bij het moederbedrijf ook sprake is van een nettoverlies van € 38.000.000. De financiële gegevens die door Conduent zijn verstrekt, hebben echter geen betrekking op het gehele concern en deze gegevens geven ook geen volledig beeld van de financiële situatie van het concern, zodat een onderbouwing van dit standpunt van Conduent ontbreekt. Bovendien ontbreekt een toelichting bij de wel overgelegde financiële gegevens.
4.14.
Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat Conduent een redelijke grond voor opzegging had/heeft.
4.15.
Gelet op deze uitkomst wordt niet toegekomen aan de vraag of Conduent het afspiegelingsbeginsel op juiste wijze heeft toegepast.
Herplaatsing
4.16.
Naast de aanwezigheid van een redelijke grond voor ontslag stelt artikel 7:669 lid 1 BW ook als voorwaarde voor het kunnen beëindigen van de arbeidsovereenkomst dat herplaatsing van de werknemer binnen redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De vraag of dit mogelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria als genoemd in de artikelen 9 en 10 van de Ontslagregeling.
4.17.
Bij de invulling van de herplaatsingsverplichting gaat het om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Het betreft dus geen resultaatsverplichting. [8]
4.18.
Conduent stelt dat er binnen de groep waartoe zij behoort geen herplaatsings-mogelijkheden zijn. Tijdens het gesprek op 14 januari 2025, waarbij [partij B] is geïnformeerd over de reorganisatie en het vervallen van zijn functie, zijn ook actief de herplaatsingsmogelijkheden (binnen de groep) besproken. In dat verband heeft Conduent voorafgaand aan dat gesprek onderzocht of er passende functies beschikbaar waren in de salarisschaal van [partij B] , maar alleen een vacature voor “Customer Experience Manager” bleek destijds beschikbaar, aldus Conduent. Deze functie sluit volgens Conduent niet aan bij de achtergrond van [partij B] . Ook overige functies zijn voorafgaand aan dat gesprek onderzocht, maar waren evenmin passend en bevinden zich bovendien in het buitenland. Door een zogenoemde interne “hiring freeze” komen er voorlopig evenmin nieuwe functies bij, aldus Conduent.
4.19.
De kantonrechter is van oordeel dat wat Conduent aan een mogelijke herplaatsing van [partij B] heeft onderzocht niet toereikend is. Van belang daarbij is dat volgens vaste rechtspraak bij een concern/groep het herplaatsingsvereiste zich uitstrekt over de groep/het concern. [9] Dat geldt dus ook voor Conduent nu zij wereldwijd diensten aanbiedt. Conduent stelt wel dat de herplaatsingsmogelijkheden zijn besproken tijdens het gesprek met [partij B] op 14 januari 2025, maar dit blijkt niet expliciet uit de brief van 14 januari 2025 en wordt bovendien betwist door [partij B] . Dat er daadwerkelijk een onderzoek naar de herplaatsings-mogelijkheden binnen het concern/de groep heeft plaatsgevonden, volgt bovendien niet (voldoende) uit de overgelegde stukken.
4.20.
Naar het oordeel van de kantonrechter lag het op de weg van Conduent om, zeker na de afwijzing door het UWV, het initiatief te nemen om in overleg met [partij B] te bezien welke vacatures binnen het wereldwijde concern/de wereldwijde groep passend zijn, eventueel met behulp van scholing, en vervolgens intern binnen het concern/de groep daarnaar onderzoek te doen. Door dat niet (voldoende) te doen, heeft Conduent zich niet genoeg ingespannen om tot herplaatsing te komen. In dit verband kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat [partij B] , onder verwijzing naar de functiebeschrijving, heeft gesteld dat zijn functie niet alleen het ondersteunen van het lokale salesteam omvat, maar ook het ontwikkelen van oplossingen voor zowel bestaande als potentiële nieuwe klanten, dat hij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor andere regio’s dan de EMEA-regio en dat hij nog steeds inzetbaar is. Deze stelling(en) heeft Conduent niet (voldoende) gemotiveerd en onderbouwd betwist. Daarbij geldt dat bij de beoordeling of een functie uitwisselbaar is de werkelijke inhoud van de functie van belang is (en dus niet alleen de functiebeschrijving). [10] Dat betekent dat de werkelijke inhoud van de functie ook (in het verlengde van de uitwisselbaarheid) van belang is bij de beoordeling van de herplaatsingsmogelijkheden van [partij B] .
4.21.
Conduent stelt dat [partij B] zich nimmer bereid heeft getoond om te verhuizen of te emigreren. Deze stelling heeft Conduent echter niet onderbouwd (bijvoorbeeld met gespreksverslagen) en [partij B] heeft ook betwist dat hij niet wil verhuizen en/of emigreren. Volgens [partij B] is hem dat nooit gevraagd. Hij wijst er bovendien op dat hij zijn werkzaamheden vanuit huis verricht en dat dat ook geldt voor zijn collega’s. Namens Conduent is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij het thuiswerken wil terugdringen en dat daar al vrij snel na de het einde van de Corona-pandemie op is ingezet. Naar het oordeel van de kantonrechter geldt ook hiervoor dat Conduent dit standpunt op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van Conduent ook meegedeeld dat er over de herziening van het thuiswerkbeleid niets op papier is gezet. Onder deze omstandigheden staat niet vast dat werkzaamheden niet (meer) vanuit huis kunnen worden verricht.
4.22.
Conduent heeft er ook nog op gewezen dat er een “hiring freeze” (vacaturestop) geldt. Zij heeft echter nagelaten stukken te overleggen waaruit dat blijkt, zodat ook niet precies duidelijk is wat daaronder wordt verstaan. Wat daar ook van zij, [partij B] is geen nieuw aan te nemen werknemer, maar een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die alleen vanwege bedrijfseconomische redenen ontslagen mag worden als herplaatsing, al dan niet met behulp van scholing, in een passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De inspanningsplicht van Conduent bij herplaatsing betekent dat zij [partij B] in beginsel bij een vacature op een passende functie zal moeten herplaatsen. Dat een vacaturestop geldt kan aan deze wettelijke verplichting geen afbreuk doen. [11]
4.23.
Uit het bovenstaande volgt dat Conduent ook niet heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting, zodat het ontbindingsverzoek ook hierop strandt.
Slotsom en proceskosten
4.24.
De slotsom van het voorgaande is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.
4.25.
De proceskosten komen voor rekening van Conduent, omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij B] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het voorwaardelijke tegenverzoek van [partij B]
4.26.
Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, is de voorwaarde die verbonden is aan het tegenverzoek niet vervuld. Het voorwaardelijk tegenverzoek hoeft dan ook niet beoordeeld te worden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
5.2.
veroordeelt Conduent in de proceskosten van € 949,-te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Conduent niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. van Diggele op 22 december 2025.

Voetnoten

1.Vgl. de conclusie van de PG van 17 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:316 in het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:825 (artikel 81 RO).
2.Artikel 7:669 lid 3 BW.
3.Artikel 7:669 lid 1 BW.
4.Regeling tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding, laatstelijk gewijzigd op 9 december 2019, Stcrt. 2019 68450 (i.w.tr. 1-1-2020).
5.Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen, april 2023.
6.Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1212.
7.Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 31.
8.Vgl. o.a. de beschikking van de Hoge Raad van 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64.
9.Vgl. o.a. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, Gerechtshof Amsterdam 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:115 en Gerechtshof Den Bosch 28 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2657.
10.Vgl. HR 15 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:229.
11.Vgl. o.a. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6312.